Wat ik verleerde
Over feminisme, lichaam en de moed om ruimte in te nemen
Ik was een jaar of twintig toen ik voor het eerst een boek van Germaine Greer opensloeg. Niet The Female Eunuch — dat kwam later. Het was The Whole Woman, haar opvolger uit 1999, en het effect was alsof iemand een raam opengooide in een kamer waarvan ik niet eens wist dat hij gesloten was.
Ik voelde me herkend. Voor het eerst.
Omdat Greer woorden gaf aan iets wat ik al mijn hele leven voelde zonder het te kunnen benoemen. Dat vrouwen worden gevormd naar een mal die niet van henzelf is. Dat we leren om kleiner te worden — letterlijk en figuurlijk — om aanvaardbaar te zijn. Greer schreef dat iedere vrouw weet dat ze, ongeacht al haar prestaties, faalt als ze niet mooi is. Die zin trof me als een mokerslag. Want dat was precies wat ik geloofde. Niet bewust. Maar in mijn lichaam, in mijn gedrag, in elk gebaar waarmee ik mezelf onzichtbaar probeerde te maken.
Vóór Greer was er Brontë
Maar het begon eigenlijk nog eerder. Een van de eerste boeken die ik las over liefde en vrouwzijn was Wuthering Heights van Emily Brontë. Dat rauwe, ongetemde verlangen van Catherine — het was de eerste keer dat ik passie in een vrouw zag die niet werd afgestraft met schaamte. Of ja, ze werd afgestraft. Maar ze was tenminste echt.
Na Greer maakte ik er een sport van. Ik ging bewust lezen wat vrouwen schreven — fictie én non-fictie. Niet uit activisme, maar uit noodzaak. Omdat ik patronen begon te zien die ik eerder niet herkende.
De patronen
Scheren. Dunner worden. Minder eten. Minder ruimte innemen. Minder zeggen.
Ik had een eetstoornis — dat weet ik nu. Jarenlang wist ik het niet, tot een therapeut me uitlegde dat de manier waarop ik at, of beter gezegd: niet at, niet normaal was. Het trauma dat ik met me meedraag — complex PTSS — had zich genesteld in mijn relatie met voedsel. Ik at niet omdat mijn emoties me verlamden. Ik at niet omdat ik geloofde dat ik alleen genoeg was als ik dun was. Als ik geen ruimte innam. Hoe minder plek ik bezette, hoe beter.
Dat is geen persoonlijk falen. Dat is een patroon. Een maatschappelijk patroon dat vrouwen leert dat hun lichaam er is om bekeken, beoordeeld en verkleind te worden. En nu, in 2026, zien we datzelfde patroon weer opduiken met Ozempic — een medicijn dat oorspronkelijk bedoeld was voor diabetes, maar nu wordt ingezet om vrouwen opnieuw in een anorectische mal te duwen. De cycli keren steeds terug. Steeds opnieuw. Zolang we niet leren accepteren wie we werkelijk zijn.
De fawn
Mijn vader was er nooit. Niet echt. Hij was emotioneel onbereikbaar, en hij beschermde me niet tegen het narcistisch misbruik van mijn moeder. Als kind leerde ik daaruit één ding: overleven doe je door te behagen. Door lief te zijn. Door geen ruimte in te nemen en geen gevoelens te uiten die ongemakkelijk zijn voor een ander.
Dus toen ik relaties kreeg, deed ik precies dat. Ik bewoog obsessief om calorieën te verbranden. Ik zweeg over wat ik echt voelde, want ik was doodsbang voor afwijzing. Ik was kinderlijk, zeiden mannen — en ze vonden het aantrekkelijk. Tot ik begon te spreken.
Ik had een relatie met iemand die me drie keer bedroog. Drie keer! De eerste keer vergaf ik het. De tweede keer ook. De derde keer begreep ik iets fundamenteels: hoewel je niemand bezit in een relatie, speek je wel vertrouwen uit wanneer je je aan iemand verbindt, en dat vertrouwen verdient respect.
Het f-woord
Ik noemde mezelf nooit feminist. Ik was bang voor dat woord, want elke keer dat ik het uitsprak, renden mannen weg. Letterlijk. Alsof feminisme een besmettelijke ziekte was.
Maar feminisme heeft niets te maken met mannen wegjagen. Het gaat over het kennen van je eigen waarde. Heb je daar boeken voor nodig? Niet per se. Maar voor mij waren ze een spiegel die ik nergens anders vond.
Geen veroordeling
Ik ben geen extreme feminist. Ik veroordeel mannen niet. Ik probeer ze te begrijpen — oprecht. En wat ik heb geleerd, ook door gesprekken met mannen in mijn lessen, is dat zij net zo goed slachtoffer zijn van het patriarchaat. De druk om kostwinner te zijn, om status te hebben, om sterk te zijn en nooit kwetsbaar — die druk maakt mannen kapot. En wanneer ze hun woede inslikken, komt die er vaak op de verkeerde manier uit. Richting ons. Richting zichzelf.
We zijn beiden gevangenen van hetzelfde systeem.
Wat ik verleerde
Het ongelooflijke is dit: je leert iets — je leert je eigen kracht kennen, je leert je stem te gebruiken — en dan verleer je het weer. Omdat de maatschappij het ongemakkelijk vindt. Omdat je een last wordt als je te veel voelt, te veel zegt, te veel ruimte inneemt.
Greer had gelijk toen ze schreef dat de strijd voor bevrijding niet gaat over gelijkheid met mannen, maar over het opeisen van verschil — en dat verschil waardigheid geven. We zijn niet hetzelfde als mannen. Dat hoeft ook niet. Maar we verdienen dezelfde vrijheid om heel te zijn.
En die cycli — het dunner worden, het stiller worden, het kleiner worden — die zullen blijven terugkeren. Zolang we blijven proberen te voldoen aan verwachtingen die niet echt zijn. Die niet menselijk zijn.
Het is tijd om wakker te worden. Niet met woede als wapen, maar met eerlijkheid als kompas. Om te stoppen met het behagen van een wereld die ons nooit heeft gevraagd wie we werkelijk zijn.
En te beginnen met het beantwoorden van die vraag. Zelf.
Plaats een reactie