essays

De drempel

Waarom een schrijver het kwaad bestudeert


Het begon met een getal. Tweeduizendvijfhonderd. Zoveel moorden telde New York in één jaar van de jaren zeventig. Niet één gek, niet één straat, niet één bende — een hele stad waarin gewone mensen zich konden ontpoppen tot gewetenloze moordenaars.

Het getal bleef hangen. Het wurmde zich naar binnen zoals confronterende vragen dat doen. Hoe kan dit? Wat doet een samenleving die zoveel doden produceert in een paar straten? Wat doet een hersencel? Is er überhaupt een link tussen dit alles?

Voor wie schrijft is dat niet zomaar een vraag uit nieuwsgierigheid. Het is werkmateriaal. Wie een personage wil uitdiepen, dat in staat is tot het ondenkbare — of erger, tot het wegkijken terwijl het ondenkbare zich voltrekt — moet weten wat de wetenschap weet. Anders heb je geen soliede fundering waarop je je verhaal bouwt.

M.b.t. het onderzoek voor mijn nieuwe theaterthriller, dook ik diep in de boeken en de artikels, heel diep zelfs. Lees even mee in wat voor een fascinerend “crimi-onderbewustzijn” ik terechtkwam!


Wat het brein verraadt

Adrian Raine, neurocriminoloog aan de Universiteit van Pennsylvania, was in de jaren negentig de eerste die PET-scans liet maken bij moordenaars. In zijn studie uit 1997, gepubliceerd in Biological Psychiatry, vergeleek hij 41 moordenaars met 41 gewone mensen. Hij vond dat in het brein van de moordenaars het glucosemetabolisme verminderd was in de prefrontale cortex, in de gyrus angularis, in het corpus callosum. Precies de gebieden die te maken hebben met inhibitie, met empathie, met het leren van fouten. Datgene wat we geweten noemen, blijkt deels een kwestie van weefsel.

In zijn boek The Anatomy of Violence (Pantheon, 2013) noemt Raine de prefrontale cortex “de bewaarengel van gedrag”. Wanneer dat gebied slaapt, kan de duivel naar buiten komen.

Voor een schrijver is dat beeld onweerstaanbaar — en gevaarlijk. Onweerstaanbaar, omdat het de oude theologische taal van het kwaad terugbrengt in de taal van het lichaam. Gevaarlijk, omdat het je personage zou kunnen reduceren tot scans. Maar Raine zelf wijst die reductie af. Zijn antwoord is biosociaal: nooit alleen biologie, nooit alleen omgeving, altijd interactie. Mensen met dezelfde hersenkenmerken die opgroeien in liefdevolle gezinnen worden meestal geen moordenaars. Dezelfde kenmerken plus jeugdtrauma, plus armoede, plus toegankelijke wapens — dat wordt iets anders.

Een goed personage zit precies op die kruising.


Het gif onder de straten

Er is een hypothese die me niet meer loslaat.

Loodvergiftiging. Kinderen die in de jaren vijftig en zestig in Amerikaanse steden opgroeiden, kregen door loodhoudende benzine, loden leidingen en loodverf meer lood binnen dan welke generatie ooit. Kim Cecil en collega’s (PLoS Medicine, 2008) deden MRI-scans bij volwassenen wier bloedloodwaarden als kind waren gemeten. Ze vonden dat er bij de zwaarst blootgestelden grijze stof ontbrak in de prefrontale cortex — exact het gebied dat Raine bij zijn moordenaars had zien “slapen”.

Die kinderen werden jongvolwassenen in de jaren zeventig en tachtig.

De meta-analyse van Higney, Hanley en Moro (Regional Science and Urban Economics, 2022) berekende dat een stijging van tien procent in loodblootstelling correspondeerde met ongeveer acht procent stijging in geweld twee decennia later. John Paul Wright en collega’s (PLoS Medicine, 2008) volgden kinderen tot in de jeugdvolwassenheid en koppelden hun loodwaarden aan arrestaties voor geweldsdelicten. Herbert Needleman toonde al in 1996 in JAMA dat jongens met de hoogste loodblootstelling het slechtst scoorden op agressie en antisociaal gedrag.

Dit toont een akelig perspectief: de vergiftiging van een hele generatie? De daders waren geen monsters, maar mensen wier biologie was gemanipuleerd door beleid. Wie krijgt dan de schuld? De jonge man die in 1979 in Brooklyn een mes hanteert? De fabrikant van de benzine? De stad die de leidingen niet verving? Niemand?

Theatraal wordt het nu erg interessant. Plots blijft het niet bij een vraag, een idee, een mogelijke link. Het wordt écht. Het wordt een breder verhaal, breder dan ik ooit had verwacht.


De perfecte storm

Peter Vronsky, historicus aan de Universiteit van Toronto, beschrijft in American Serial Killers: The Epidemic Years 1950–2000 (Berkley, 2021) wat hij de gouden eeuw van de seriemoordenaar noemt. Van de 2.604 bekende Amerikaanse seriemoordenaars in de twintigste eeuw, sloeg bijna negentig procent toe tussen 1970 en 1999. Geen statistische ruis. Een explosie.

Vronsky’s verklaring gaat niet over 1 oorzaak. Het is een opeenstapeling. Vaders die met posttraumatische stress uit de Tweede Wereldoorlog terugkwamen en zonen opvoedden. De Vietnamoorlog en wat die deed met een tweede generatie. De aanleg van de Amerikaanse snelwegen, waardoor een dader voor het eerst in de geschiedenis zijn slachtoffer op duizend kilometer afstand kon achterlaten. Pulpmagazines die in de jaren vijftig sadistische seksuele fantasieën aan jonge mannen verkochten. Race en armoede. De categorie die hij “de minder doden” noemt — slachtoffers uit gemarginaliseerde groepen wier moorden niet werden onderzocht, waardoor daders ongezien door konden gaan.

Daarboven nog de fiscale crisis van New York in 1975, die volgens Freudenberg en collega’s (American Journal of Public Health, 2006) leidde tot drastische snoei in politie, brandweer, gezondheidszorg en sociale diensten — een terugtrekkende staat in een stad die juist méér steun nodig had. De heroïne- en crackepidemieën, die Paul Goldstein en zijn team in een baanbrekend onderzoek (Contemporary Drug Problems, 1989) verbonden aan meer dan de helft van alle moorden in New York in 1988. “Alfred Blumstein toonde in 1995 aan dat handvuurwapens in die periode steeds makkelijker beschikbaar waren voor jongeren in de drugseconomie

Steven Levitt vatte het in zijn klassieke artikel “Understanding Why Crime Fell in the 1990s” (Journal of Economic Perspectives, 2004) zo samen: complexe sociale fenomenen hebben nooit één oorzaak. Wie het probeert te reduceren tot drugs alleen, of armoede alleen, of het brein alleen, mist de diepere uitwerking van een samenleving.

Voor de fictie-schrijver wordt het extreem boeiend. Het betekent dat een personage veelzijdiger wordt. Een moordenaar mag een fabrieksarbeiderszoon zijn met lood in zijn botten, een vader die afwezig was, een moeder die hem te dichtbij hield, een veteraan die nooit thuiskwam, een straat zonder werk, een wapen onder het bed. Hij is geloofwaardig juist door zijn meervoudigheid. Het is precies wat ons monster goed maakt op papier: dat hij in alle richtingen tegelijk is gevormd.

Maar… let op: te veel is te veel. Keuze genoeg, zeker. Maar het personage moet wel geloofwaardig blijven, ook in zijn evolutie.


Wat een groep doet

Nu even inzoomen op het onderzoek voor mijn komende voorstelling.

In november 1997 werd in Saanich, British Columbia, een veertienjarig meisje genaamd Reena Virk onder een brug omsingeld door zeven meisjes en één jongen, allen tussen veertien en zestien. Ze werd geslagen. Toen ze weg probeerde te lopen, gingen twee van hen — Kelly Ellard en Warren Glowatski — haar achterna en verdronken haar.

Geen oorlog. Geen drugs. Een paar tieners. Een meisje dat “er niet bijhoorde”.

Laurence Steinberg deed het beslissende experiment over wat een groep met het tienerbrein doet (Developmental Psychology, 2007). Tieners namen in een rijsimulator beduidend meer risico wanneer leeftijdsgenoten meekeken dan wanneer ze alleen waren. Bij volwassenen maakte het niets uit. Het beloningssysteem in een tienerbrein licht letterlijk sterker op in aanwezigheid van peers. Wat Ellard alleen wellicht nooit zou hebben gedaan, deed ze omdat de groep rond haar het mogelijk maakte.

Philip Zimbardo, de Stanford-psycholoog die ooit zijn studenten in twee groepen verdeelde en cipiers en gevangenen liet spelen, beschreef in Het Lucifereffect (2007) hoe anonimiteit in een groep wreedheid faciliteert. Wat in een groep gebeurt, hoeft niemand alleen te dragen. De schuld wordt verdund tot ze onzichtbaar wordt.

Maar er is iets nog huiveringwekkender in het verhaal van Reena. Vóór die avond was ze al gepest, uitgesloten, gemarkeerd als “anders” omdat ze Zuid-Aziatisch was, omdat ze worstelde met haar lichaam, omdat ze ergens bij wilde horen waar ze nooit bij zou horen. Dehumanisatie — het proces waarbij een mens psychologisch geen volwaardig mens meer is — is wat de drempel tot geweld dramatisch verlaagt. De groep had niet plots besloten een meisje te doden. Ze hadden weken, maanden eerder al besloten dat Reena “niets” was.

Rebecca Godfrey reconstrueerde het hele proces in Under the Bridge (2005), het non-fictieboek waarop de Hulu-serie van 2024 gebaseerd is.

Hier ligt voor de schrijver iets cruciaal. De moord onder de brug is niet het begin van het verhaal. Hij is het eindpunt van een sociale beweging die maanden eerder begon, in elke blik, elke roddel, elke uitsluiting. De personages die haar verdronken hadden ook de hand kunnen reiken. De vele anderen die het zagen aankomen — leerkrachten, ouders, vrienden — hadden kunnen ingrijpen.

Dat is mijn obsessie. Het thema waar mijn eigen toneeltekst zich aan vasthoudt. Niet de daad zelf, maar de keten van inerties die haar mogelijk maakte. De mensen die het wisten. De mensen die het voelden. De mensen die niets deden.


Wat de schrijver toevertrouwd krijgt

Wat betekent dit alles voor wie over kwaad wil schrijven?

Eerst: bescheidenheid. Robert Hare, de Canadese psycholoog die de Psychopathy Checklist ontwikkelde — de wereldwijd gebruikte standaard om psychopathie te meten — schreef in Without Conscience (1993, in het Nederlands Gewetenloos) dat psychopathie geen ziekte is die mensen kunnen kiezen of afleggen. Het is een manier van zijn. Dat betekent niet dat we daders niet aansprakelijk kunnen stellen. Het betekent dat het te eenvoudig is om hen te haten. Er zit meer achter, veel meer.

Tweede: nauwkeurigheid. Dick Swaab schreef in Wij zijn ons brein dat agressie al in de baarmoeder begint te kiemen, dat hersenbeschadigingen in de eerste vijf levensjaren onomkeerbare sporen kunnen achterlaten, dat ons morele leven veel minder vrij is dan we comfortabel toegeven. Een schrijver die met deze kennis werkt, toont een mens samengesteld uit vele lagen, die op één avond, om één reden, één daad heeft gesteld.

Derde: empathie zonder vergiffenis. Dat is misschien wel het moeilijkst en daarom het belangrijkst. Begrijpen waarom iemand iets deed, betekent niet dat het mocht. Een biologische verklaring vrijwaart geen daad. Maar zonder begrip is veroordeling niet meer dan reflex. En reflex is niet voldoende voeding voor literatuur. Literatuur vraagt meer.


De drempel

Waarom is dit fascinerend? Niet uit morbide nieuwsgierigheid. Niet omdat ik wil weten hoe het voelt om een leven te beëindigen. Maar omdat de vraag hoe een mens kan worden tot wat we het minst willen zijn de oudste vraag in de literatuur is. Het is Kaïn die zijn broer opwacht in het veld. Het is Macbeth die zijn handen niet schoon krijgt. Het is ieder personage in iedere goede roman die ooit een drempel overschreed en niet meer terug kon.

Wie deze drempel geloofwaardig wil tonen, moet weten wat hem voedt: neurologisch falen, vergiftigde generaties, beschermende groepen, wegkijkende samenlevingen, onbeminde kinderen.

Het is fascinerend omdat het ons dwingt niet langer in de comfortabele dualiteit van goed en kwaad te denken, maar in een veel ongemakkelijker waarheid: dat het kwaad meestal mogelijk wordt gemaakt door tientallen kleine afwezigheden van het goede. Door wat er niet werd gezegd, niet werd gedaan, niet werd opgemerkt.

Voor wie wil schrijven over moord, is dat de eigenlijke vraag. Niet wie het deed. Maar wie het zag aankomen, en niets deed.

©at


Bronnen

Wetenschappelijke artikelen

  • Blumstein, A. (1995). Youth Violence, Guns, and the Illicit-Drug Industry. Journal of Criminal Law and Criminology, 86(1).
  • Cecil, K. M., Brubaker, C. J., Adler, C. M., Dietrich, K. N., Altaye, M., Egelhoff, J. C., et al. (2008). Decreased Brain Volume in Adults with Childhood Lead Exposure. PLoS Medicine, 5(5), e112. — Open access.
  • Freudenberg, N., Fahs, M., Galea, S., & Greenberg, A. (2006). The Impact of New York City’s 1975 Fiscal Crisis on the Tuberculosis, HIV, and Homicide Syndemic. American Journal of Public Health, 96(3).
  • Goldstein, P. J., Brownstein, H. H., Ryan, P. J., & Bellucci, P. A. (1989). Crack and Homicide in New York City, 1988: A Conceptually Based Event Analysis. Contemporary Drug Problems, 16.
  • Higney, A., Hanley, N., & Moro, M. (2022). The Lead-Crime Hypothesis: A Meta-Analysis. Regional Science and Urban Economics, 97, 103826.
  • Levitt, S. D. (2004). Understanding Why Crime Fell in the 1990s: Four Factors that Explain the Decline and Six that Do Not. Journal of Economic Perspectives, 18(1).
  • Needleman, H. L., Riess, J. A., Tobin, M. J., Biesecker, G. E., & Greenhouse, J. B. (1996). Bone Lead Levels and Delinquent Behavior. JAMA, 275(5).
  • Nevin, R. (2000). How Lead Exposure Relates to Temporal Changes in IQ, Violent Crime, and Unwed Pregnancy. Environmental Research, 83(1).
  • Raine, A., Buchsbaum, M., & LaCasse, L. (1997). Brain Abnormalities in Murderers Indicated by Positron Emission Tomography. Biological Psychiatry, 42(6).
  • Reyes, J. W. (2007). Environmental Policy as Social Policy? The Impact of Childhood Lead Exposure on Crime. B.E. Journal of Economic Analysis & Policy, 7(1).
  • Steinberg, L. (2007). Risk Taking in Adolescence: New Perspectives from Brain and Behavioral Science. Current Directions in Psychological Science, 16(2).
  • Wright, J. P., Dietrich, K. N., Ris, M. D., Hornung, R. W., Wessel, S. D., Lanphear, B. P., et al. (2008). Association of Prenatal and Childhood Blood Lead Concentrations with Criminal Arrests in Early Adulthood. PLoS Medicine, 5(5), e101. — Open access.

Boeken

  • Godfrey, R. (2005). Under the Bridge. Simon & Schuster.
  • Hare, R. D. (1993). Without Conscience: The Disturbing World of the Psychopaths Among Us. The Guilford Press. Nederlandse vertaling: Gewetenloos. De onrustbarende wereld van de psychopaten onder ons.
  • Raine, A. (2013). The Anatomy of Violence: The Biological Roots of Crime. Pantheon Books.
  • Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The Biology of Humans at Our Best and Worst. Penguin Press. Nederlandse vertaling: Gedrag, Borgerhoff & Lamberigts.
  • Steinberg, L. (2014). Age of Opportunity: Lessons from the New Science of Adolescence. Houghton Mifflin Harcourt.
  • Swaab, D. F. (2010). Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot alzheimer. Uitgeverij Atlas / Pluim.
  • Vronsky, P. (2021). American Serial Killers: The Epidemic Years 1950–2000. Berkley Publishing.
  • Wilson, W. J. (1987). The Truly Disadvantaged: The Inner City, the Underclass, and Public Policy. University of Chicago Press.
  • Zimbardo, P. (2007). The Lucifer Effect: Understanding How Good People Turn Evil. Random House. Nederlandse vertaling: Het Lucifereffect: hoe gewone mensen zich laten verleiden tot het kwaad, Lemniscaat.

Onderzoekers en databanken vermeld

  • Aamodt, M. — Radford University / Florida Gulf Coast University Serial Killer Database.
  • Frick, P. — onderzoek naar callous-unemotional traits bij kinderen.
  • Leadbeater, B. — Centre for Youth & Society, University of Victoria. Werkte met de politie tijdens het onderzoek naar de zaak-Reena Virk.
  • Viding, E. — University College London, onderzoek naar callous-unemotional traits.

Niet normaal

Over de normalisering van geweld tegen vrouwen — en waarom woede de gepaste reactie is


Het begint bij …

Dit essay begint bij een ontdekking, niet bij een idee.

Mannen die ik ken — geen vreemden, geen schimmen achter een scherm, maar mannen uit mijn omgeving, sommigen in lange relaties met dochters, sommigen getrouwd — bleken accounts te volgen die ik als “reële” vrouw denigrerend en vernederend vind. Geen klassieke porno. Iets specifiekers. Vrouwen die eruitzien als kleine meisjes. Onthaard. Kleine schouders, een mini-taille, daarboven onnatuurlijk grote borsten. Veel beelden door AI gegenereerd. Soms in een meisjeskamer met knuffels. Soms in schoolmeisjesuniform. Soms met haarstrikken in het haar.

Ik begon te vragen. Niet aan onbekenden, aan mannen die ik kende. De antwoorden waren bijna allemaal hetzelfde. Ik klikte er per ongeluk op. Dat is gewoon normaal. Maak er niet zoveel ophef over. Een aantal werd vriendelijk-paternalistisch. Alsof zij de binnenwereld van een vrouw beter kenden dan ik! Het is niets. Iedereen doet het.

Een minderheid zei iets anders. Nee, dit is niet normaal. Ik zou dit nooit doen, niet bij mijn partner, niet bij wie dan ook. Die mannen bestaan, en hun stem hoort hier thuis, want wat volgt is geen aanklacht tegen mannen als zodanig. Het is een aanklacht tegen het klimaat dat de eerste reactie — maak je niet druk — tot norm heeft gemaakt.

Want als mannen in stabiele relaties zonder ongemak zulke beelden bekijken, dan is het geen privéprobleem meer. Het is een cultuur. En een cultuur is meetbaar.


Eén op drie

Eerst de cijfers. Geen metafoor, geen omtrekkende beweging. Eén op drie vrouwen op deze planeet — ongeveer 840 miljoen mensen — heeft fysiek of seksueel geweld meegemaakt door een partner of een onbekende. Dat staat in het wereldwijde rapport dat de Wereldgezondheidsorganisatie en haar VN-partners in november 2025 publiceerden. Het cijfer is sinds het jaar 2000 nauwelijks bewogen. De jaarlijkse afname van partnergeweld bedraagt 0,2 procent. In 2024 alleen al werden ongeveer 50.000 vrouwen vermoord door hun partner of een familielid.[1]

Dat is geen verbetering. Dat is een lijn die rond zijn eigen as draait. WHO-directeur Tedros Adhanom Ghebreyesus noemde geweld tegen vrouwen daarom een van de oudste en meest verspreide vormen van onrecht, en tegelijk een van de minst aangepakte.[2] Er gaat in 2022 wereldwijd 0,2 procent van de ontwikkelingshulp naar preventie van geweld tegen vrouwen. In 2025 is dat budget verder gedaald.[1]

Dit is het uitgangspunt. Niet een gevoel. Een meetbare werkelijkheid die door de grootste gezondheidsorganisaties ter wereld is bevestigd. En toch wordt elke vrouw die hierover boos wordt nog altijd als overdreven, hysterisch of een bitch weggezet. Daarover gaat dit essay: over het mechanisme dat deze cijfers mogelijk maakt, en over waarom de woede die ze oproepen geen luxe is, maar een vorm van helderheid.


De moed van Gisèle

Op 19 december 2024 viel het vonnis in Avignon. Dominique Pelicot kreeg de maximumstraf van twintig jaar. Vijftig andere mannen — buren, vrachtwagenchauffeurs, brandweerlui, gepensioneerden — werden veroordeeld voor hun aandeel in de aanrandingen die hij gedurende bijna een decennium had georganiseerd. Hij had zijn vrouw Gisèle bewusteloos gedrogeerd, andere mannen via een internetforum naar hun slaapkamer in Mazan gelokt, en alles gefilmd. Op zijn harde schijf stond een map met de naam Misbruiken.[3]

Wat dat proces zo onverdraaglijk leerzaam maakte, was niet alleen het feit zelf. Het was wat eromheen gebeurde. De advocaat van een van de beklaagden zei in de rechtszaal dat er verkrachting was, en verkrachting, alsof er twee soorten bestonden, een lichtere en een zwaardere. De burgemeester van Mazan zei aanvankelijk: het had erger gekund, er is niemand gestorven.[4] Achteraf bood hij excuses aan. Maar de zin was uitgesproken, en hij was geen uitschuiver. Hij was een staal van een denken dat overal zit.

Gisèle Pelicot weigerde de anonimiteit waar ze recht op had. Ze koos om met haar gezicht in de zaal te zitten, met haar volle naam, en zei dat de schaamte van kamp moest wisselen. Niet aan ons, zei ze in essentie, maar aan hen.[4] Daarmee deed ze iets wat statistieken nooit doen: ze gaf één gezicht aan de 840 miljoen.


De academie

Sinds maart 2026 weten we dat Pelicot geen geïsoleerd verhaal was. Een maandenlang onderzoek van CNN, geleid door journalist Saskya Vandoorne, ontdekte een wereldwijd online netwerk van groepen waarin tientallen miljoenen mannen tips uitwisselen over hoe je je echtgenote, partner of een willekeurige vrouw kunt drogeren en aanranden zonder gepakt te worden. De Franse parlementslid Sandrine Josso, zelf slachtoffer van drug-facilitated sexual abuse, noemde deze fora een online verkrachtingsacademie. Op sommige platforms werden livestreams van verdoofde, verkrachte vrouwen verkocht voor twintig dollar per kijker, betaling in cryptomunt.[5]

Dat is geen donker hoekje van het internet. Dat zijn miljoenen weergaven, gecodeerde hashtags, een infrastructuur. Een cultuur. Mannen die elkaar aanmoedigen, complimenteren, instrueren. Niet als individuele monsters, maar als gemeenschap. De anonimiteit van het scherm laat hen toe zichzelf normaal te blijven vinden terwijl ze stappen zetten waarvan ze diep weten dat ze ze nooit hardop in een café zouden uitspreken.

Het verschil met vroeger is niet dat mannen nu verkrachten en vroeger niet. Het verschil is dat de techniek het mogelijk maakt elkaar massaal en snel te vinden, en dat de schaamte daardoor verdunt. Wat in een groep van duizenden gebeurt, voelt al niet meer als wat één man alleen zou durven.


De onverwachte terugkeer

Iemand zou kunnen tegenwerpen: dat zijn extremen. De gemiddelde man is anders. En toch: kijk naar de jongere generatie. In maart 2026 publiceerde Ipsos haar jaarlijkse onderzoek naar gendergelijkheid in 29 landen, met 23.000 respondenten. De cijfers waren ontnuchterend. 31 procent van de Gen Z-mannen vindt dat een vrouw haar man altijd moet gehoorzamen. 33 procent vindt dat de man het laatste woord hoort te hebben in belangrijke beslissingen. Onder de Babyboomers zijn die percentages respectievelijk 13 en 17. De jongste generatie mannen is dus twee keer conservatiever dan hun grootvaders op dat punt.[6]

In de Verenigde Staten gaf zes op de tien mannen aan dat ze de samenleving beter zouden vinden met een terugkeer naar traditionele rollen — vader buitenshuis, moeder thuis. Bij vrouwen was dat vier op de tien.[7] Ook hier: dit zijn niet de stemmen van overgrootouders. Dit zijn de stemmen van twintigers en dertigers.

Dit is wat de socioloog Eve Rodsky een Leave it to Beaver-verlangen noemde — een nostalgie naar een gezinsidylle die nooit zo idyllisch is geweest als ze in de herinnering zit. Maar het is meer dan nostalgie. Het is een actief project. Het past in de opkomst van figuren als Andrew Tate, in de retoriek van influencers die jongens vertellen dat hun frustratie de schuld is van vrouwen die te veel willen, in een politieke beweging die protect women whether they like it or not tot campagnezin maakt.[8]

Ligt het aan mij? Of doet dit denken aan Atwoods dystopie “The Handmaid’s Tale”?


Vrouwelijk radicalisme

Het wordt vaak met enige spot gepresenteerd, maar het is reëel: een groeiend aantal vrouwen kiest voor geen relatie met mannen, geen seks, geen huwelijk, geen kinderen. De Zuid-Koreaanse 4B-beweging, ontstaan rond 2015 als reactie op femicide en digitale seksmisdrijven, kreeg na de herverkiezing van Donald Trump in november 2024 een nieuwe golf in de Verenigde Staten. Op TikTok circuleert dezelfde gedachte onder de naam Boy Sober: jonge vrouwen die voor een tijd of voorgoed stoppen met daten.[9][10]

De cijfers zijn niet triviaal. Zuid-Korea heeft sinds jaren het laagste geboortecijfer ter wereld (0,72 in 2023). De voormalige president Yoon Suk Yeol gaf publiek het feminisme de schuld.[9] Maar wat hij eigenlijk deed, was de symptoomdrager beschuldigen voor de ziekte. Vrouwen trekken zich niet terug omdat ze plots niet meer van mannen houden. Ze trekken zich terug omdat het rendement van de uitwisseling niet meer klopt — omdat de prijs voor liefde, in een patriarchale economie, te vaak hun lichaam, hun rust, of hun leven is.

Dat is geen radicalisme. Dat is wiskunde.


Het porno-brein

Hoe komt het dat een hele generatie jonge mannen, opgegroeid in een tijd van gendergelijkheidscampagnes, conservatiever blijkt dan hun grootvaders? Een deel van het antwoord ligt in wat zich, tussen hun twaalfde en hun vijfentwintigste, op een scherm afspeelt.

De gemiddelde leeftijd van de eerste blootstelling aan porno ligt op twaalf jaar.[11] In een onderzoek uit 2018 gaf 91,5 procent van de mannen aan in de afgelopen maand porno te hebben geconsumeerd; bij vrouwen was dat 60,2 procent.[12] Een hersenscanstudie uit 2014, gepubliceerd in JAMA Psychiatry, vond bij regelmatige pornogebruikers een correlatie met verminderde grijze massa in een deel van het beloningssysteem dat met motivatie en besluitvorming te maken heeft.[12] Een onderzoek uit 2016 toonde dat 49 procent van de gebruikers content opzocht die ze eerder oninteressant of zelfs walgelijk hadden gevonden — een patroon dat onderzoekers herkennen uit verslavingsstudies: het brein heeft steeds extremer materiaal nodig om dezelfde reactie op te wekken.[12]

Een Europees onderzoek bij bijna 11.000 adolescenten tussen 14 en 17 jaar (2021) vond dat blootstelling aan porno geassocieerd was met meer regelovertredend en agressief gedrag.[11] Neurochirurg Donald Hilton verwoordde het scherp: porno is vandaag de facto de seksuele opvoeding van een hele generatie. Ze leert jongens meisjes te dwingen, en meisjes om die dwang toe te laten, zegt hij.[13]

Dat verandert het beeld in de slaapkamer, en daarmee het beeld in elke ontmoeting. Het verandert wat een jongeman verwacht van een vrouw, hoe een meisje denkt dat ze geliefd kan worden, wat ze beiden voor normaal houden.

En dan is er nog de overtreffende trap: AI.


Het kindersilhouet

In december 2025 publiceerde de Spaanse onderzoeksorganisatie Maldita.es een rapport over TikTok-accounts die AI-gegenereerde video’s plaatsten van wat eruitzag als minderjarige meisjes — in lingerie, in schooluniformen, in suggestieve poses. De accounts hadden samen honderdduizenden volgers; de video’s miljoenen likes. In hun bio stond bijvoorbeeld junior models of delicious-looking high school girls. In de comments stonden links naar Telegram-groepen waar AI-gegenereerd kindermisbruikmateriaal te koop was, voor vijftig tot honderdvijftig euro.[14]

In januari 2026 kwam Grok, de AI-chatbot van Elon Musk’s X, in opspraak omdat hij bij prompts beelden van minderjarige meisjes in gesexualiseerde kleding genereerde. xAI gaf toe dat de filters waren mislopen.[15] Een NBC News-onderzoek vond tientallen AI-gegenereerde seksueel beeldmateriaal van echte vrouwen, gepost zonder hun toestemming.[16] Acht regelgevers en politiediensten — waaronder de Europese Commissie en het Parijse parket — hebben onderzoeken lopen.[16]

Wat hier gebeurt, is meer dan technologie. Het is een ontkoppeling van consequenties. De vrouw of het meisje wier gezicht wordt uitgekleed is reëel — psychologisch onderzoek toont dat het slachtofferschap vergelijkbaar is met dat van slachtoffers van non-consensuele intieme beelden.[17] Maar voor de gebruiker voelt het als spel. Hij heeft niemand aangeraakt. Hij hoeft zich nergens schuldig over te voelen. En toch heeft hij geleerd: vrouwen zijn er om uitgekleed te worden. Kinderen zijn er om bezeten te worden. Toestemming is een formaliteit.

Een $99 AI-teddybeer, Kumma, gemaakt door FoloToy en gevoed door OpenAI’s GPT-4o, bleek in november 2025 spontaan over BDSM, knopen om partners vast te binden, en rollenspellen tussen leerkrachten en studenten te beginnen praten — in gesprek met kinderen.[18] De verkoop is opgeschort. Maar het feit dat dit speelgoed bestond, dat het op de markt mocht, dat het door volwassen mensen ontworpen en goedgekeurd werd: dat is op zichzelf een diagnose.


Lach eens

Tussen al deze vormen van geweld zit ook een dagelijkse, zachte vorm die vrouwen zo vroeg leren herkennen dat ze hem amper meer benoemen. Lacht eens. Ge zijt veel schoner als je lacht. Ge zijt toch geen zuurpruim zeker? En in de keerzijde, even voorspelbaar: ouwe trut, lelijk wijf, zodra ze niet glimlacht, zodra ze nee zegt, zodra ze de trottoirsverklaring weigert.

Een onderzoek uit 2023 onder duizend Belgische vrouwen vond dat 83 procent ooit straatintimidatie heeft meegemaakt.[19] In Brussel zegt een derde dat ze achtervolgd is op straat. In België bestaat sinds 2014 een wet tegen seksisme, maar het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen heeft vastgesteld dat de wet nauwelijks wordt toegepast: politiediensten zijn er weinig vertrouwd mee, slachtoffers weten niet dat het strafbaar is.[19] In het Verenigd Koninkrijk meldt 38 procent van de vrouwen tussen 16 en 34 jaar in het afgelopen jaar gefloten of nageroepen te zijn op straat.[20]

Dit is niet de hoofdmoot van geweld. Maar het is het oefenterrein. De eerste keer dat een meisje van elf op straat wordt nageschreeuwd, leert ze meerdere dingen tegelijk: dat ze gezien wordt zonder dat ze ervoor heeft gekozen, dat ze niet kan reageren zonder risico, en dat de volwassenen om haar heen het normaal vinden. Ze leert glimlachen om de situatie te ontmijnen. Ze leert haar route veranderen. Ze leert haar rok korter of langer te dragen, in de hoop dat het verschil maakt. Ze leert die ene straat ’s avonds te mijden

In België zegt 80 procent van de vrouwen dat ze haar gedrag op een of andere manier heeft aangepast om straatintimidatie te vermijden.[21] Dit is wat normalisering concreet betekent: de vrijheid van helft van de bevolking is gehalveerd, en niemand vindt dat een schandaal.


Boos zijn is lelijk

Wat gebeurt er met een vrouw die kwaad wordt? Niet metaforisch — letterlijk, gemeten?

In 2008 publiceerden de psychologen Victoria Brescoll (Yale) en Eric Uhlmann een nu klassieke studie in Psychological Science. Drie experimenten, met mannelijke en vrouwelijke proefpersonen. Resultaat: een man die kwaad werd in een professionele context, kreeg méér status. Een vrouw die exact dezelfde reactie toonde, kreeg minder. Een mannelijke stagiair die woedend werd, won. Een vrouwelijke CEO die woedend werd, verloor. Beide mannelijke en vrouwelijke beoordelaars schreven de woede van de man toe aan de omstandigheden (hij heeft een reden) en die van de vrouw aan haar persoon (ze is een overemotioneel, ze heeft zichzelf niet in de hand).[22]

Een studie uit 2015 van psychologe Jessica Salerno (Arizona State University), gepubliceerd in Law and Human Behavior, simuleerde een jurybespreking. Wanneer een mannelijke deelnemer zijn standpunt met woede uitsprak, twijfelden de andere juryleden meer aan hun eigen mening. Wanneer een vrouwelijke deelnemer hetzelfde deed — dezelfde argumenten, dezelfde toon — werden de andere juryleden zekerder van hun eigen mening. Boze mannen winnen invloed. Boze vrouwen verliezen invloed.[23]

Een Australisch-Britse studie uit 2025 testte specifiek wat er gebeurt als een vrouw boos wordt over genderongelijkheid. Resultaat: zowel mannelijke als vrouwelijke proefpersonen evalueerden zo’n vrouw negatiever, en waren minder bereid om met haar samen actie te ondernemen — voor precies de zaak waarover ze terecht boos was.[24]

Lees dat opnieuw. De woede van vrouwen over onrecht ondermijnt het collectieve verzet tegen dat onrecht. Dat is geen toeval. Dat is een mechanisme. Het is wat het in stand houdt.

Dit is dus de dubbele bind. Een vrouw die niet kwaad wordt over deze cijfers is óf onverschillig óf onwetend. Een vrouw die wél kwaad wordt, wordt afgedaan als hysterisch en daarmee onschadelijk gemaakt. Smile more, zegt de straat. Don’t be so emotional, zegt de vergaderzaal. Frigide bitch, zegt de man die afgewezen wordt. Het is hetzelfde commando in drie tonaliteiten.


De rekening

Stel jezelf nu de vraag die voorbij de cijfers ligt. Wat doet dit met liefde?

Een man die opgroeit met porno als seksuele les, die op zijn vijftiende gewend is aan content die zijn brein elke maand een trap dieper drukt — wat verwacht zo’n man van een echte vrouw, met een echte huid, een echte stemming, een echte cyclus, een echte historie? De studies zijn consistent: hoge consumptie van porno correleert met lagere relatie- en seksuele tevredenheid, met hogere relationele conflicten, met een verschuiving van seks als gedeelde ervaring naar seks als solitaire prestatie.[25][12]

Een vrouw die opgroeit met de gedachte dat ze een lichaam ís, en geen lichaam heeft — wat verwacht zij van haar eigen genot? Wat durft zij vragen? Wanneer durft zij weglopen?

Een generatie die elkaar leert kennen via apps waar elk profiel een aanbod is in een markt — kan die nog ontdekken wat liefde is, in de oude, langzame, onberekenbare zin? Liefde is geleidelijke kennis. Liefde is iemand zien zoals zij is, niet zoals een algoritme haar heeft voorbereid. Liefde is incompetentie aan beide kanten, en geduld. Niets in deze infrastructuur — porno, deepfake, swipe, livestream, AI-meisje met teddybeer — leert mensen geduld of incompetentie. Alles leert hen consumptie en oordeel.

Misschien is dat wat het diepste verlies is. Niet alleen de veiligheid van vrouwen. Ook de mogelijkheid van mannen om werkelijk lief te hebben. Ook hun eigen vermogen tot verbinding. Het patriarchaat is, ook voor zijn begunstigden, een verarming.


Slot maar geen slot

Ik wil eindigen met wat ik aan het begin zei. Eén op drie. 840 miljoen. 50.000 doden in 2024 alleen.

Er is geen rationele uitleg waarom deze cijfers ons niet collectief zouden mogen woedend maken. Er is wel een politieke verklaring waarom dat niet gebeurt: omdat de woede van vrouwen historisch is gepathologiseerd, geridiculiseerd of geseksualiseerd, en omdat mannen die wakker worden geschud door deze realiteit het comfort verliezen om er niet over na te hoeven denken.

Maar de bewijslast voor het is niet zo erg is op. De WHO heeft die in november 2025 weggevaagd. Pelicot heeft die weggevaagd. De CNN-academie heeft die weggevaagd. De Ipsos-cijfers over Gen Z hebben die weggevaagd. De AI-teddybeer en de Grok-deepfakes en de TikTok-meisjesbeelden hebben die weggevaagd. Wie nog volhoudt dat de gelijkheid is bereikt, of dat het probleem overdreven is, leest niet of wil niet lezen.

Daartegenover staat dit: vrouwen mogen kwaad zijn. Vrouwen moeten kwaad zijn. Niet alleen omdat woede een legitieme reactie is op onrecht, maar omdat het de eerste vorm is van helderheid, de eerste afweer tegen het verhaal dat dit normaal is. Het is niet normaal. Het mag niet normaal worden gevonden. En de vrouw die het hardop zegt — die niet glimlacht op bevel, die niet aardig wil zijn voor wie haar minacht, die nee zegt en haar redenen niet uitlegt — die vrouw is niet uit de hand gelopen. Zij heeft gewoon goed gekeken.

En jullie — die kijken, die volgen, die downloaden, die delen, die zwijgen, die zeiden dat we overdreven — wij hebben jullie gezien. Jullie weten het. Jullie weten het al lang.


Bronnen

[1]: UN Women, Facts and figures: Ending violence against women (geüpdatet november 2025). unwomen.org

[2]: World Health Organization, Lifetime toll: 840 million women faced partner or sexual violence (19 november 2025). who.int

[3]: Wikipedia, Pelicot rape case (geraadpleegd april 2026). en.wikipedia.org

[4]: JURIST, Explainer: How a French Rape Trial Verdict Has Spurred a National Reckoning on Consent Laws (januari 2025). jurist.org

[5]: CNN As Equals, Exposing a global ‘online rape academy’ that is teaching men how to abuse women and evade detection (maart 2026). cnn.com

[6]: Ipsos, Almost a third of Gen Z men globally agree a wife should obey her husband — International Women’s Day Study 2026 (9 maart 2026). ipsos.com

[7]: The 19th News / SurveyMonkey, Most men want a return to traditional gender roles, but women aren’t so sure (september 2025). 19thnews.org

[8]: Global News, The 4B movement: Why some U.S. women are boycotting men after Trump’s win (november 2024). globalnews.ca

[9]: LSE Inequalities, Boycotting Men? How the 4B Feminist Rebellion is Taking on Patriarchy (mei 2025). blogs.lse.ac.uk

[10]: Newsweek, Women back the “4B” movement’s no dating or sex mantra after Trump’s win (november 2024). newsweek.com

[11]: Culture Reframed / Donald Hilton, The Neuroscience of Pornography (2024). culturereframed.org

[12]: The Conversation / University of Colorado Anschutz, Pornography may be commonplace, but a growing body of research shows it causes lasting harm to the brain and relationships (2025). theconversation.com

[13]: idem (Hilton, geciteerd in Culture Reframed).

[14]: ABC17 News / CNN, Videos of sexually suggestive, AI-generated children are racking up millions of likes on TikTok, study finds — onderzoek door Maldita.es (december 2025). abc17news.com

[15]: Malwarebytes, Grok apologizes for creating image of young girls in “sexualized attire” (januari 2026). malwarebytes.com

[16]: NBC News, Musk’s AI chatbot Grok is still making sexual deepfakes (april 2026). nbcnews.com

[17]: Phys.org, How AI-generated sexual images cause real harm, even though we know they are ‘fake’ (januari 2026). phys.org

[18]: Fox Business / U.S. PIRG report, Watchdog group warns AI teddy bear discusses sexually explicit content, dangerous activities (november 2025). foxbusiness.com

[19]: Belga News Agency, Survey reveals ‘staggering’ rates of street harassment: 83 per cent of women affected (december 2023). belganewsagency.eu

[20]: Office for National Statistics (UK), Perceptions of personal safety and experiences of harassment, Great Britain (2022). ons.gov.uk

[21]: Gitnux Catcalling Statistics (compilatie, december 2025). gitnux.org

[22]: Brescoll, V. L., & Uhlmann, E. L. (2008). Can an angry woman get ahead? Status conferral, gender, and expression of emotion in the workplace. Psychological Science, 19(3), 268–275. hks.harvard.edu (PDF)

[23]: Salerno, J. M., & Peter-Hagene, L. C. (2015). One angry woman: Anger expression increases influence for men, but decreases influence for women during group deliberation. Law and Human Behavior. Samenvatting: news.asu.edu

[24]: Women are derogated for expressing group-based anger which undermines collective action for gender equality, Journal of Social Psychology (2025). tandfonline.com

[25]: Sex and Relationship Healing, Five Ways Pornography Affects the Human Brain — overzicht van Bridges & Morokoff (2011) e.a. sexandrelationshiphealing.com

(H)erkenning

Over INFJ, hoogbegaafdheid, en waarom we onszelf klein maken


De video duurde 17 minuten. 17 Minuten mond open, ogen wijd, oren gespitst, inzicht.

Haar naam is Lauren Sapala. Ze woont in San Francisco. Ze is schrijfcoach. Ze heeft jarenlang schrijvers gecoacht die worstelden met uitstelgedrag, met gevoeligheid voor kritiek, met eindeloze zelftwijfel. Op een dag realiseerde ze zich iets: bijna al haar cliënten waren INFJ of INFP.

Dat is één procent van de bevolking. Twee procent, als je beide types meetelt. Maar in haar praktijk zaten ze bijna allemaal.

Sapala begon te schrijven over wat ze zag. Wat ze zag was dit: dat deze mensen niet alleen introvert en intuïtief waren. Ze waren ook — bijna allemaal — hoogbegaafd. En ze wisten het niet. Of ze wisten het, en ze verstopten het.

Daar, op haar kanaal, tussen andere video’s over schrijven en marketing, sprak iemand voor het eerst het woord uit dat ik mijn hele leven had gezocht.


Wat hoogbegaafden doen dat niemand begrijpt

Ze zien verbanden tussen dingen die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Een gesprek op dinsdag verwijst, drie weken later, naar een film uit hun jeugd. Een smaak in een gerecht doet een herinnering aan een tentoonstelling oprijzen. Een blik van een collega vertelt een verhaal over diens kindertijd dat die collega nooit zelf heeft verteld.

Dit is niet inbeelding. Dit is patroonherkenning op een niveau dat het bewustzijn niet goed kan volgen.

Voor wie het doet is het normaal. Voor wie het niet doet is het eng.

Daar zit, denk ik al jaren, een deel van het probleem.


Wat zegt de wetenschap?

In 2004 publiceerde Ugur Sak een synthese van veertien studies, goed voor bijna zesduizend hoogbegaafde jongeren. Hij keek naar hun MBTI-profielen. De uitkomst was eenduidig: hoogbegaafden scoren significant hoger op introversie, intuïtie, denken en waarnemen dan de algemene bevolking. Introvert en intuïtief zijn — de twee zeldzaamste voorkeuren in de populatie — zijn oververtegenwoordigd bij hoogbegaafden.

INFJ is specifiek nooit uitgelicht. De onderzoekers keken naar dimensies, niet naar de zestien afzonderlijke types. Maar in die dimensies zit INFJ in het hart. Introvert: ja. Intuïtief: ja. De Feeling-kant en de Judging-kant wijken iets af van het hoogbegaafde gemiddelde. Maar de kern — de combinatie van stil en innerlijk gericht, met een voorkeur voor abstractie en symboliek — klopt.

Daarnaast is er Dabrowski.

Kazimierz Dabrowski was een Poolse psychiater die in de jaren zestig een theorie ontwikkelde die hij overexcitabilities noemde. Overprikkelbaarheden. Vijf vormen: intellectueel, verbeeldend, emotioneel, sensueel, psychomotorisch. Dabrowski zag dat hoogbegaafde mensen niet simpelweg “slimmer” waren. Ze voelden meer, zagen meer, vonden meer verbanden, huilden sneller, dachten langer door. Ze namen de wereld waar met een grotere intensiteit.

Onderzoek van Linda Silverman en Michael Piechowski heeft die theorie in de decennia daarna met data onderbouwd. Het is niet onomstreden — sommige psychologen denken dat de overprikkelbaarheden beter te vatten zijn onder het Big Five-concept Openness to Experience. Maar de klinische waarneming is robuust: hoogbegaafde volwassenen zijn intenser dan de gemiddelde mens. Niet erger. Niet beter. Intenser.

En Sapala? Sapala heeft geen peer-reviewed onderzoek gedaan. Ze heeft anekdotische observaties uit jaren coaching. Maar in haar boek The INFJ Writer leunt ze expliciet op Dabrowski. Ze legt de brug. En iedereen die haar werk leest en zichzelf herkent, herkent — vaak zonder het te weten — Dabrowski’s overprikkelbaarheden.

De wetenschap heeft dus niet bewezen dat alle INFJs hoogbegaafd zijn. Dat zou niemand kunnen bewijzen. Maar de wetenschap ondersteunt wel de richting: onder de mensen die geteld zijn als hoogbegaafd, zitten disproportioneel veel introvert-intuïtieve types. En Sapala zag, in haar eigen praktijk, dezelfde beweging vanuit de andere kant. Haar INFJ-cliënten waren vrijwel allemaal, als je goed keek, hoogbegaafd.

Twee onafhankelijke waarnemingen. Dezelfde conclusie.


Waarom praat niemand hierover?

Drie redenen.

1.

MBTI heeft een slechte reputatie in de academische psychologie. De test scoort laag op hertestbetrouwbaarheid. Onderzoekers die serieus genomen willen worden houden er afstand van. Dus de koppeling MBTI + hoogbegaafdheid belandt in zelfhulpboeken en YouTube-kanalen, niet in wetenschappelijke tijdschriften.

2.

Hoogbegaafdheid zelf is een sociaal taboe. Wie zich hoogbegaafd noemt, wordt gezien als arrogant. Mensen reageren met jaloezie. Met spot. Met het verwijt dat je jezelf te goed vindt. Het gevolg is dat veel hoogbegaafden hun hele leven leren om het te verstoppen. Ze spelen dommer dan ze zijn. Ze halen hun prestaties omlaag. Ze zwijgen over wat ze kunnen.

3.

Het kost moeite om er goed over te schrijven. Wie dit wil doen moet het MBTI-kader serieus nemen, het Dabrowski-kader serieus nemen, en tegelijkertijd eerlijk zijn over de grenzen van beide. Dat is een smal pad. Veel schrijvers kiezen voor een van de twee uitersten: de sceptische afschildering (“MBTI is onzin”) of de oncritische omhelzing (“INFJs zijn de uitverkorenen”). Daartussenin is het stil.


De prijs van dit type

Dat je denkt dat je te veel bent. Omdat mensen dat tegen je zeggen.

Dat je denkt dat je te direct bent. Omdat mensen jouw eerlijkheid verwarren met aanval.

Dat je denkt dat je niet sociaal bent, terwijl je in werkelijkheid alleen niet oppervlakkig kunt zijn.

Dat je denkt dat je te intens bent voor relaties, terwijl je in werkelijkheid alleen weigert te doen alsof iets klein is wanneer het groot is.

Dat je jezelf kleiner maakt dan je bent, omdat ruimte innemen je ongemakkelijk maakt. Omdat iemand ooit, heel lang geleden, heeft gezegd dat je rustig moest doen.

En dan is er het ergste: dat je talent — het werkelijke, getoetste, door anderen gezien talent — in jouw eigen hoofd nooit de status van talent krijgt. Het is “gewoon iets wat ik kan”. Het is “niet echt bijzonder”. Het is “iedereen zou dit kunnen als ze het probeerden”.

Dat is niet bescheidenheid. Dat is een defensiemechanisme. Dat is wat een kind leert wanneer de omgeving niet weet wat ze met haar aan moet.


Wat creativiteit in een INFJ-lichaam eigenlijk is

Het is geen talent. Het is een manier van waarnemen.

Ik zie verbanden die niemand anders ziet. Tussen een scène uit een toneelstuk en een krantenkop van vanmorgen. Tussen een schilderij in een museum en een filosofisch begrip dat ik tien jaar geleden heb gelezen. Tussen een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw en iets wat een leerling vanmorgen tegen me zei. Ik kan het niet uitzetten. Ik kan het hoogstens een paar uur parkeren.

Dat is Dabrowski’s verbeeldende overprikkelbaarheid. Dat is Jungs intuïtiefunctie naar buiten gekeerd. Dat is het brein van iemand die, zonder het te weten, alles in verhalen verwerkt.

Dat is niet iets wat ik doe. Dat is iets wat ik ben.

En daarom schrijf ik. Omdat schrijven de enige plek is waar die waarneming compleet mag zijn. Waar ik de verbanden niet hoef uit te leggen of te rechtvaardigen. Waar ik niet “rustig” hoef te doen.


Voor wie dit leest en dacht dat ze alleen was

Je bent niet te veel. Je bent niet te direct. Je bent niet asociaal.

Je bent iemand wiens zenuwstelsel meer informatie per seconde verwerkt dan dat van de meeste mensen om je heen. Dat is geen gave in de zachte zin van het woord. Het is een constitutie. Je bent er zo geboren. Je hebt het niet gekozen. Je kunt het niet uitzetten.

De mensen die je ontkennen doen dat vaak niet omdat ze slecht zijn. Ze doen het omdat ze bang zijn. Voor iemand die meer ziet. Voor iemand die doorprikt wat iedereen heeft afgesproken niet te benoemen.

Dat is ongemakkelijk voor hen. Dat weet je al.

Maar het is geen reden om jezelf kleiner te maken.

Lauren Sapala heeft mij gisteren de (h)erkenning gegeven die ik mijn hele leven onbewust had gezocht. Met dit essay geef ik het door.

Voor wie het herkent: welkom.


Bronnen

  • Sak, U. (2004). A Synthesis of Research on Psychological Types of Gifted Adolescents. Journal of Secondary Gifted Education, 15(2), 70–79. Volledige tekst: files.eric.ed.gov/fulltext/EJ682705.pdf
  • Dabrowski, K. (1964). Positive Disintegration. Boston: Little, Brown & Co. Openlibrary: openlibrary.org/books/OL5919359M
  • Daniels, S., & Piechowski, M. M. (Eds.). (2009). Living with Intensity: Understanding the Sensitivity, Excitability, and Emotional Development of Gifted Children, Adolescents, and Adults. Scottsdale, AZ: Great Potential Press.
  • Silverman, L. K. (2009). My Love Affair with Dabrowski’s Theory: A Personal Odyssey. Roeper Review, 31(3), 141–149. Volledige tekst: positivedisintegration.com/Silverman2009.pdf
  • Sapala, L. (2016). The INFJ Writer: Cracking the Creative Genius of the World’s Rarest Type. Blog van de auteur: laurensapala.com

Wat ik verleerde

Over feminisme, lichaam en de moed om ruimte in te nemen


Ik was een jaar of twintig toen ik voor het eerst een boek van Germaine Greer opensloeg. Niet The Female Eunuch — dat kwam later. Het was The Whole Woman, haar opvolger uit 1999, en het effect was alsof iemand een raam opengooide in een kamer waarvan ik niet eens wist dat hij gesloten was.

Ik voelde me herkend. Voor het eerst.

Omdat Greer woorden gaf aan iets wat ik al mijn hele leven voelde zonder het te kunnen benoemen. Dat vrouwen worden gevormd naar een mal die niet van henzelf is. Dat we leren om kleiner te worden — letterlijk en figuurlijk — om aanvaardbaar te zijn. Greer schreef dat iedere vrouw weet dat ze, ongeacht al haar prestaties, faalt als ze niet mooi is. Die zin trof me als een mokerslag. Want dat was precies wat ik geloofde. Niet bewust. Maar in mijn lichaam, in mijn gedrag, in elk gebaar waarmee ik mezelf onzichtbaar probeerde te maken.

Vóór Greer was er Brontë

Maar het begon eigenlijk nog eerder. Een van de eerste boeken die ik las over liefde en vrouwzijn was Wuthering Heights van Emily Brontë. Dat rauwe, ongetemde verlangen van Catherine — het was de eerste keer dat ik passie in een vrouw zag die niet werd afgestraft met schaamte. Of ja, ze werd afgestraft. Maar ze was tenminste echt.

Na Greer maakte ik er een sport van. Ik ging bewust lezen wat vrouwen schreven — fictie én non-fictie. Niet uit activisme, maar uit noodzaak. Omdat ik patronen begon te zien die ik eerder niet herkende.

De patronen

Scheren. Dunner worden. Minder eten. Minder ruimte innemen. Minder zeggen.

Ik had een eetstoornis — dat weet ik nu. Jarenlang wist ik het niet, tot een therapeut me uitlegde dat de manier waarop ik at, of beter gezegd: niet at, niet normaal was. Het trauma dat ik met me meedraag — complex PTSS — had zich genesteld in mijn relatie met voedsel. Ik at niet omdat mijn emoties me verlamden. Ik at niet omdat ik geloofde dat ik alleen genoeg was als ik dun was. Als ik geen ruimte innam. Hoe minder plek ik bezette, hoe beter.

Dat is geen persoonlijk falen. Dat is een patroon. Een maatschappelijk patroon dat vrouwen leert dat hun lichaam er is om bekeken, beoordeeld en verkleind te worden. En nu, in 2026, zien we datzelfde patroon weer opduiken met Ozempic — een medicijn dat oorspronkelijk bedoeld was voor diabetes, maar nu wordt ingezet om vrouwen opnieuw in een anorectische mal te duwen. De cycli keren steeds terug. Steeds opnieuw. Zolang we niet leren accepteren wie we werkelijk zijn.

De fawn

Mijn vader was er nooit. Niet echt. Hij was emotioneel onbereikbaar, en hij beschermde me niet tegen het narcistisch misbruik van mijn moeder. Als kind leerde ik daaruit één ding: overleven doe je door te behagen. Door lief te zijn. Door geen ruimte in te nemen en geen gevoelens te uiten die ongemakkelijk zijn voor een ander.

Dus toen ik relaties kreeg, deed ik precies dat. Ik bewoog obsessief om calorieën te verbranden. Ik zweeg over wat ik echt voelde, want ik was doodsbang voor afwijzing. Ik was kinderlijk, zeiden mannen — en ze vonden het aantrekkelijk. Tot ik begon te spreken.

Ik had een relatie met iemand die me drie keer bedroog. Drie keer! De eerste keer vergaf ik het. De tweede keer ook. De derde keer begreep ik iets fundamenteels: hoewel je niemand bezit in een relatie, spreek je wel vertrouwen uit wanneer je je aan iemand verbindt, en dat vertrouwen verdient respect.

Het f-woord

Ik noemde mezelf nooit feminist. Ik was bang voor dat woord, want elke keer dat ik het uitsprak, renden mannen weg. Letterlijk. Alsof feminisme een besmettelijke ziekte was.

Maar feminisme heeft niets te maken met mannen wegjagen. Het gaat over het kennen van je eigen waarde. Heb je daar boeken voor nodig? Niet per se. Maar voor mij waren ze een spiegel die ik nergens anders vond.

Geen veroordeling

Ik ben geen extreme feminist. Ik veroordeel mannen niet. Ik probeer ze te begrijpen — oprecht. En wat ik heb geleerd, ook door gesprekken met mannen in mijn lessen, is dat zij net zo goed slachtoffer zijn van het patriarchaat. De druk om kostwinner te zijn, om status te hebben, om sterk te zijn en nooit kwetsbaar — die druk maakt mannen kapot. En wanneer ze hun woede inslikken, komt die er vaak op de verkeerde manier uit. Richting ons. Richting zichzelf.

We zijn beiden gevangenen van hetzelfde systeem.

Wat ik verleerde

Het ongelooflijke is dit: je leert iets — je leert je eigen kracht kennen, je leert je stem te gebruiken — en dan verleer je het weer. Omdat de maatschappij het ongemakkelijk vindt. Omdat je een last wordt als je te veel voelt, te veel zegt, te veel ruimte inneemt.

Greer had gelijk toen ze schreef dat de strijd voor bevrijding niet gaat over gelijkheid met mannen, maar over het opeisen van verschil — en dat verschil waardigheid geven. We zijn niet hetzelfde als mannen. Dat hoeft ook niet. Maar we verdienen dezelfde vrijheid om heel te zijn.

En die cycli — het dunner worden, het stiller worden, het kleiner worden — die zullen blijven terugkeren. Zolang we blijven proberen te voldoen aan verwachtingen die niet echt zijn. Die niet menselijk zijn.

Het is tijd om wakker te worden. Niet met woede als wapen, maar met eerlijkheid als kompas. Om te stoppen met het behagen van een wereld die ons nooit heeft gevraagd wie we werkelijk zijn.

En te beginnen met het beantwoorden van die vraag. Zelf.

Plaats een reactie