fictie

(Een schrijfoefening naar “De Metamorfose” van F. Kafka.)

De ochtend waarop het eerste schubje verscheen, ontving Else een oproep. Het papier lag onder haar hoofdkussen. Het was dubbelgevouwen en droeg geen afzender. U wordt verzocht zich vandaag aan te bieden, stond erop. Daaronder was ruimte vrijgelaten voor een adres. Else wachtte een tijd, omdat ze aannam dat het adres nog zou verschijnen. Toen dit niet gebeurde, kleedde ze zich aan.

Pas bij het dichtknopen van haar blouse voelde ze iets hards onder haar sleutelbeen. Ze trok de stof opzij. Op haar huid zat een klein, groen schubje. Met een vingernagel probeerde ze het los te maken, maar de schub boog mee en veerde daarna terug in haar oorspronkelijke stand. ‘Bedekken’, dacht Else.

Ze herkende onmiddellijk het gebouw waar ze zich moest aandienen, hoewel ze er nooit eerder was geweest. Boven de ingang stond:

Bureau voor Onderlinge Geschiktheid

De deur was zwaar. Pas toen iemand langs de andere kant trok, ging ze open. Een bode liet haar binnen. Zijn uniform had dezelfde kleur als de vloer.

‘Uw oproep.’

Else overhandigde hem het papier.

‘Het adres ontbreekt,’ zei de bode.

‘Toch ben ik hier.’

‘Dat maakt het ernstig.’

Hij schreef iets in een soort register.

In de wachtzaal zaten zeven mensen. Zij droegen allemaal een nummer op hun borst. Else bekeek haar eigen blouse, maar vond geen nummer.

‘U hebt het verwijderd,’ zei een vrouw naast haar.

‘Ik heb er geen gekregen.’

De vrouw schoof een plaats opzij.

‘Dat zeggen ze allemaal.’

Aan de overkant hing een spiegel. Toen Else erin keek, zag ze dat haar gezicht de kleur van de muur had aangenomen. Ze boog voorover. Ook haar hals was bleekgeel geworden. Alleen rondom haar sleutelbeen lag een kleine groene glans. Ze wreef over haar wang. De vrouw naast haar zuchtte.

‘U moet daar niet voortdurend aan voelen.’

‘Waaraan?’

‘Aan wat zichtbaar is.’

Een deur ging open. De bode noemde geen naam, maar alle wachtenden keken naar Else. Ze stond op.

Achter de deur bevond zich een kleinere wachtzaal. Er stond één stoel. Op de muur hing een lijst met voorschriften.

  1. De bezoeker blijft zichzelf.
  2. De bezoeker hindert anderen daarbij niet.
  3. Wanneer beide onmogelijk blijken, heeft het tweede voorschrift voorrang.

Else las de zinnen meerdere keren. Ze hoorde achter de muur zacht geschrijf. Na enige tijd verscheen een ambtenaar. Hij had rode handen. De rest van zijn lichaam was grijs.

‘U bent te laat,’ zei hij.

‘Er stond geen uur op mijn oproep.’

‘Dan had u eerder moeten komen.’

Hij ging achter een lessenaar zitten en opende een dossier.

‘Naam?’

‘Else Varen.’

‘Uw eigen naam?’

‘Ja.’

De ambtenaar keek op.

‘Dat zullen wij nog vaststellen.’

Hij bladerde door lege bladzijden.

‘Er is een klacht over uw kleur.’

Else hield haar handen voor zich. Ze waren opnieuw normaal geworden. Misschien iets bleker.

‘Welke kleur?’

‘Dat is juist de moeilijkheid.’

De ambtenaar legde zijn rode handen plat op het dossier.

‘Volgens verschillende verklaringen neemt u zonder toestemming eigenschappen van uw omgeving over.’

‘Wie heeft dat verklaard?’

‘Mensen uit uw omgeving.’

‘Welke mensen?’

‘Mensen die daar reden toe hadden.’

Else knikte. De huid van haar handen werd rood. De ambtenaar keek ernaar.

‘U ziet het.’

Else stopte haar handen onder de tafel.

‘Ik doe niets.’

‘Dat wordt nergens beweerd.’

Hij stelde haar vragen. Of zij dikwijls van mening veranderde. Of zij zich aangenaam kon gedragen. Of zij stemverheffing wist te voorkomen. Of zij in staat was een ruimte binnen te komen zonder de aanwezigen te verstoren.

Else antwoordde zorgvuldig. Soms verbeterde de ambtenaar haar antwoord voordat zij uitgesproken was. Daarna schreef hij zijn verbetering op. Bij de laatste vraag aarzelde ze.

‘Ik weet niet of iemand door mij verstoord wordt.’

‘Dat is geen antwoord.’

‘Dan … nee.’

De ambtenaar keek naar haar gezicht. Else voelde de kleur eruit wegtrekken.

‘Beter,’ zei hij.

Hij gaf haar een formulier. Bovenaan stond:

Verklaring van Vrijwillige Aanpassing

De tekst eronder was klein. Else las alleen de laatste zin. Ondergetekende aanvaardt dat elke zichtbare afwijking die ongemak veroorzaakt, wordt hersteld op haar kosten.

‘Welke afwijking?’

De ambtenaar sloot het dossier.

‘U mag tekenen.’

‘Ik vroeg welke afwijking.’

‘Uw vraag is genoteerd.’

‘Waar?’

‘Bij de vragen.’

‘Kan ik die zien?’

‘Niet zolang ze onbeantwoord zijn.’

Else nam de pen aan. Haar vingers waren nu even rood als de zijne. De groene schub onder haar blouse jeukte. Ze zette haar naam.

De ambtenaar bekeek de handtekening.

‘U schrijft anders dan vroeger.’

‘U hebt niets van vroeger.’

Hij glimlachte vermoeid.

‘Dat denkt u.’

Buiten de kamer wachtte de bode. Hij bracht haar niet terug naar de ingang, maar naar een afdeling die diep in het gebouw lag. De gangen helden naar beneden. Er waren geen trappen. Toch kreeg Else pijn in haar knieën.

Op de afdeling Aanpassing zaten mensen achter glazen wanden. Sommigen hadden een huid die geheel samenviel met hun stoel. Van anderen waren alleen de ogen zichtbaar.

Een vrouw in een witte schort ontving Else.

‘Ontkleden.’

Else keek naar de open ruimte. Aan de andere kant van het glas sorteerden twee mannen formulieren.

‘Hier?’

‘Er is nergens anders plaats.’

Else trok haar blouse uit. De groene schub was groter geworden. Er liep nu een rij van haar sleutelbeen naar haar borst. De vrouw boog zich erover.

‘Sinds wanneer?’

‘Sinds vanmorgen.’

‘Dat antwoord wordt vaak gegeven.’

Ze drukte met haar duim op een schub.

‘Pijn?’

‘Een beetje.’

‘Dan is het nog oppervlakkig.’

Ze nam een meetlint en mat Elses armen, hals en gezicht. Daarna plaatste ze zes gekleurde kaarten naast haar huid. Bij elke kaart veranderde Else.

Blauw.

Grijs.

Bruin.

Wit.

Bij de groene kaart gebeurde niets. De vrouw draaide de kaart om.

‘Onbruikbaar,’ zei ze.

‘De kaart?’

‘Dat zou eenvoudiger zijn.’

Ze vulde een formulier in en hing een label om Elses pols.

TIJDELIJK ONBEPAALD

‘Wat moet ik doen?’

‘U wordt geobserveerd.’

‘Hoe lang?’

‘Tot er geen verschil meer is tussen uw gedrag en de beoordeling ervan.’

Else kreeg haar blouse terug. De gang waarlangs zij gekomen was, bestond niet meer. In plaats daarvan bevond zich achter de deur een slaapzaal. Langs de wanden stonden metalen bedden. Op ieder bed lag een vrouw. Sommige vrouwen waren rood, andere bijna doorzichtig. Eén vrouw droeg het patroon van het deken op haar gezicht.

Else kreeg het laatste bed.

‘Waar wachten we op?’ vroeg ze.

De vrouw naast haar draaide één oog naar haar toe.

‘Op overeenstemming.’

‘Waarover?’

‘Dat verandert.’

De eerste nacht sliep Else nauwelijks. Telkens wanneer iemand zich omdraaide, nam haar huid de kleur van het metaal of het beddengoed aan. Haar handen verdwenen tegen de lakens. Haar voeten werden grijs. Tegen de ochtend zat haar hele rug onder schubben. Ze vond er enkele op het matras.

De bode kwam ze tellen.

‘Zeven,’ zei hij.

‘Ik tel er negen.’

‘Twee zijn van gisteren.’

‘Gisteren had ik ze nog niet.’

Hij schreef zeven op.

Elke dag werd Else onderzocht. Men liet haar plaatsnemen tegenover verschillende personen. Een boze man. Een huilend kind. Een zwijgende oude vrouw. Een functionaris die beweerde dat Else hem beledigd had. Else kreeg de opdracht zich natuurlijk te gedragen.

Bij de boze man werd haar huid donker. Bij het kind werden haar ogen vochtig. Bij de oude vrouw maakte Else haar ademhaling muisstil. Bij de functionaris zei ze dat het haar speet. Na elk onderzoek noteerden de waarnemers dat zij zich onnatuurlijk snel aanpaste.

‘Wat had ik dan moeten doen?’ vroeg Else.

‘Uzelf blijven.’

‘Hoe?’

‘Zonder invloed uit te oefenen.’

‘Ik heb niets gedaan.’

‘Juist.’

Na verloop van tijd werden haar vingers langer. Ze konden zich om de metalen spijlen van haar bed vouwen. Haar tong werd dik en schoot soms uit haar mond wanneer een vlieg langs het plafond kroop. De andere vrouwen vonden het onsmakelijk. Else leerde haar mond gesloten te houden.

Haar ogen begonnen afzonderlijk te bewegen. Eén oog volgde de bode. Het andere hield de deur in de gaten.

‘Dat is tegenstrijdig gedrag,’ zei de vrouw in het witte schort.

Ze bond een doek om Elses hoofd, zodat beide ogen in dezelfde richting moesten kijken.

‘Zo bent u duidelijker.’

De doek bleef drie dagen zitten. Toen hij werd verwijderd, bleek Else in staat beide ogen tegelijk stil te houden, zolang iemand naar haar keek.

In de slaapzaal spraken de vrouwen weinig. Wie te lang met een ander praatte, begon haar kleur over te nemen. Dat leidde tot verwarring bij de telling.

Op een avond vroeg de vrouw met het dekenpatroon:

‘Welke kleur had je vroeger?’

Else wilde antwoorden. Ze dacht aan haar huis, maar zag alleen de kleur van de kamers. Ze dacht aan haar werk en zag de kleding van haar collega’s. Ze dacht aan haar moeder en herinnerde zich dat zij altijd stiller was geworden zodra haar moeder zweeg.

‘Ik weet het niet.’

‘Dan ben je bijna klaar.’

De volgende ochtend werd Else naar de Commissie gebracht. De ruimte was rond. Langs de wand stonden hoge kasten met gesloten laden. In het midden zat een man achter een smalle tafel. Zijn gezicht was kleurloos.

‘Uw toestand is verbeterd,’ zei hij.

Else keek naar haar handen. Ze waren dezelfde kleur als de tafel.

‘Is dat een verbetering?’

‘U wordt minder opgemerkt.’

‘Ik ben veranderd.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

Hij schoof een vel papier naar haar toe.

‘U kunt vandaag worden ontslagen.’

Else las de voorwaarden. Zij zou zich voortaan tijdig aanpassen. Zij zou vragen vermijden waarop anderen geen antwoord hadden. Zij zou geen kleur aannemen die niet door haar omgeving werd ondersteund. Zij zou zich niet beroepen op een oorspronkelijke toestand, tenzij deze aantoonbaar bestond. Onderaan moest zij haar voorkeurskleur invullen.

‘Wat moet ik daar schrijven?’

‘Uw kleur.’

‘Die ken ik niet.’

‘Dan kiest u er een.’

‘Op basis waarvan?’

De man wees naar de kasten.

‘Wij bewaren voldoende voorbeelden.’

Hij opende de eerste lade. Daarin lagen honderden smalle stroken huid, gerangschikt van licht naar donker. In de tweede lade lagen kleuren die Else niet kon benoemen. In de derde bewogen de stroken nog.

‘Deze zijn allemaal goedgekeurd,’ zei de man.

Else stond op. De kamer werd onmiddellijk donkerder. Haar huid nam de donkere tint over.

‘Gaat u zitten.’

Ze ging zitten. Haar lichaam werd weer bleek. De man legde de pen voor haar neer.

‘Een kleur is noodzakelijk. Anders kan niemand weten wanneer u afwijkt.’

Else keek naar het lege vak. Ze dacht aan de groene schub die als eerste verschenen was. Het groen had intussen haar hele rug bedekt, maar zij had het al dagen niet gezien. Onder het licht van de Commissie leek alles grijs.

‘Mag ik een spiegel?’

‘Waarvoor?’

‘Om te kijken.’

‘U bent hier om bekeken te worden.’

De man schoof de pen dichterbij. Else legde haar hand op het papier. Haar vingers verdwenen. Daarna haar pols. Het kleurloze vlak trok omhoog langs haar arm. Ze voelde hoe haar borst, haar hals en haar gezicht zich bij de kamer aansloten.

De man knikte.

‘U ziet dat het zonder keuze ook lukt.’

Else probeerde haar hand op te tillen, maar kon niet meer zien waar ze begon. Haar lichaam was deel van de tafel, de vloer en de kasten geworden. Alleen haar beide ogen bleven zichtbaar. Het ene keek naar de man. Het andere naar de laden.

In de onderste lade bewoog iets. Het was geen strook huid. Het was een kleur zonder vaste vorm. Ze week terug wanneer het licht erop viel en kwam naar voren zodra de man wegkeek. Else kende haar niet. Toch voelde zij iets onder haar ribben reageren.

‘Wat zit daar?’ vroeg ze.

De man sloot de lade met zijn voet.

‘Afgekeurd materiaal.’

‘Waarom?’

‘Het paste nergens bij.’

‘Van wie was het?’

‘Dat is niet meer vast te stellen.’

Else legde haar onzichtbare hand opnieuw op het papier. De pen rolde naar haar vingers, hoewel de tafel niet schuin stond.

‘Schrijf,’ zei de man.

Else zette de punt in het vak voor de voorkeurskleur. Ze schreef geen woord. Ze trok een lijn. De lijn was eerst zwart. Daarna groen. Vervolgens kreeg ze een tint die niet voorkwam in de laden, noch op de muren, noch op de huid van de man.

De kleur verspreidde zich vanuit de inkt naar haar hand. De tafel duwde haar niet langer terug. Haar arm verscheen. Niet grijs, niet groen, niet menselijk van kleur. De tint verschoof wanneer men haar probeerde vast te leggen. Ze was donker aan de randen en bijna helder in het midden. Er liep iets roods doorheen dat geen rood was.

De man stond op.

‘Die kleur is niet toegestaan.’

Else keek naar haar hand.

‘Ze stond in uw kast.’

‘Ze was afgekeurd.’

‘Dan hebt u haar toch bewaard.’

De man drukte op een knop onder de tafel. Er gebeurde niets. Else stond op. De kleur trok over haar schouders, langs haar hals en over haar gezicht. Haar schubben werden zichtbaar. Haar vingers klemden zich om het tafelblad. Haar ogen draaiden vrij van elkaar.

‘U kunt in deze toestand niet vertrekken,’ zei de man.

‘In welke toestand?’

Hij antwoordde niet.

Achter hem sprong een lade open. Daarna nog een. De stroken huid vielen op de vloer. Ze bewogen naar Else toe, maar zodra ze haar kleur raakten, werden ze wit en bleven liggen.

De man week achteruit.

‘U veroorzaakt onrust.’

Else liep naar de deur.

‘U bent nog niet ontslagen.’

‘Dat was ik vóór ik hier kwam ook niet.’

De gang buiten de Commissie was smaller geworden. Else moest zijwaarts lopen. Haar nieuwe huid schuurde langs de muren. Op sommige plaatsen nam ze kort de kleur van het pleisterwerk aan, maar de vreemde tint keerde terug.

In de wachtzaal zat de vrouw die eerder naast haar had gezeten.

‘U hebt iets meegenomen,’ zei ze.

Else keek naar haar lichaam.

‘Dat geloof ik niet.’

‘Het staat u niet.’

De kleur rondom Elses keel werd geel, passend bij de muur. Ze wachtte. Het geel trok weg.

‘Nee,’ zei ze.

De vrouw schoof opnieuw een plaats opzij.

Buiten stond de bode met zijn register.

‘Uw nummer?’

‘Dat heb ik nooit gehad.’

‘Dan kan ik u niet uitschrijven.’

‘Dat hoeft niet.’

‘U blijft dan geregistreerd als aanwezig.’

Else keek naar het gebouw. Achter de ramen, die zij binnen nergens had gezien, bewogen bleke gestalten.

‘Goed,’ zei ze.

Ze liep weg. De straat veranderde van kleur onder haar voeten. Voorbijgangers vertraagden wanneer ze haar zagen. Sommigen glimlachten afkeurend. Anderen weken uit.

Else voelde telkens de oude beweging in haar huid: het onmiddellijke zoeken, het berekenen, het gehoorzamen. Ze werd soms nog grijs. Soms rood. Bij harde stemmen werd ze bijna doorzichtig.

Maar de onbekende kleur bleef ergens zichtbaar. Onder haar tong. Tussen twee schubben. In een smalle kring rond haar hart. Ze leerde haar niet vast te houden. Zodra ze dat probeerde, trok ze weg.

Ze verscheen wanneer Else een vraag onbeantwoord liet. Wanneer ze een kamer verliet vóór iemand haar toestemming gaf. Wanneer ze de stilte niet opvulde.

Het Bureau bleef oproepen sturen. De papieren lagen ’s morgens onder haar hoofdkussen. Soms waren ze geel, soms rood, soms hadden ze precies de kleur van haar lakens. Else las ze niet meer.

Na enige tijd begonnen ook de brieven te veranderen. Eerst langs de randen. Daarna over het gehele blad. Tot er niets meer op te lezen stond en iedere oproep dezelfde vreemde, ongeschikte kleur droeg.

Be someone

Ze trekt een jurk aan. Ze trekt een andere jurk aan. Ze trekt haar huid aan en gaat naar buiten. Het is niet genoeg. Er zijn namen voor wat ze is. Ze heeft ze allemaal gedragen, als jassen die niet pasten maar die ze dichtritste tot boven omdat iemand zei: deze past je. Gevoelig. Intens.…

Penseelstreek

De koffie is koud geworden. Ze weet niet wanneer dat gebeurd is — ergens tussen de eerste slok en het moment waarop haar blik bleef haken aan de muur. Aan de schaduw die daar beweegt alsof iemand met trage vingers over het behang strijkt, heen en weer, zonder haast, zonder bedoeling. Het kopje staat scheef…