memoir

De cel die niet luisterde

Er waren er al vier geweest. Drie die bleven, één niet. Dat was genoeg, vond mijn moeder. Meer dan genoeg. Maar ergens in het voorjaar van 1975, in een huis achter de suikerfabriek, won een cel de race die niemand had uitgeschreven. Eén cel, sneller dan de rest, of misschien gewoon koppiger.

Er klonk een zacht, nat geluid. Alsof je met je handpalm langzaam over een natte ballon wrijft, maar dan duizendvoudig en tegelijk. Een stroom die geen stroom is maar een dringen — als regendruppels die tegen een raam glijden, allemaal dezelfde kant op. En dan één tik. Eén enkel, dof moment van contact. Zoals een druppel die in stilstaand water valt. Tok. En dan stilte.

Mijn cel vond de andere cel en samen deden ze wat cellen doen: ontstaan. Zonder toestemming. Zonder dat iemand erom had gevraagd.

Mijn moeder voelde het en dacht: nee.

Maar ik was al begonnen. En wat begonnen is, stopt niet zomaar omdat iemand nee denkt. Dat is het eerste wat ik deed op deze wereld: mijn eigen wil doorduwen. Het zou niet de laatste keer zijn.

De zomer van 1976 was de heetste die België zich kon herinneren. De aarde scheurde open, de rivieren werden smal en het asfalt werd zacht onder je voeten. In dat België, in die hitte, in het huis, dat rook naar zeep en bleekmiddel, werd ik geboren. Rood. Luid. Ongewenst. Met krullen die er al waren voordat ik er zelf was, alsof mijn haar eerder klaar was dan de rest van mij.

Niemand had om mij gevraagd. En toch was ik.

Een vlek op de zon

Het gras rook naar iets wat geen naam had. Ik drukte mijn neus erin en probeerde het te begrijpen, maar het was groter dan ik. Alles was groter dan ik. De tuin, de lucht, de middag. Ik was vier jaar, of vijf. Mijn pijpekrulletjes groeiden alle kanten op, alsof ze het niet eens konden worden over een richting. Ik vond ze mooi. Niemand anders vond ze mooi, maar dat wist ik toen nog niet.

Ik rende. Niet ergens naartoe. Gewoon rennen, omdat mijn benen dat wilden en ik losgelaten werd. De tuin was niet groot, maar dat maakte niet uit. Ik maakte hem groot. Ik was er ontdekkingsreiziger, dier, koningin. Soms alle drie tegelijk. Ik liet me vallen in het gras en het gras ving me op. Het gras stelde geen vragen. Het gras zei niet dat ik te wild was, te luid, te veel. Het gras liet me gewoon liggen.

Ik droeg een jurkje. Lichtblauw, met bloemetjes, of misschien was het geel. Dat soort dingen worden zachter in je hoofd naarmate je ouder wordt. Maar het was mooi. En ik was mooi erin. Dat wist ik, op de manier waarop een kind iets weet: zonder woorden, in het lijf.

Mijn vader werkte in de fabriek. ’s Nachts, als de wereld donker was, stond hij tussen machines die ik me niet kon voorstellen. Een arbeider, dat was hij, en die fabriek stond zo dichtbij dat je haar kon ruiken én horen als de wind verkeerd stond. Mmmmmmmmm… doem… doem… doem… tssssssssjjjjjjj… krrr-KLANG… doem… doem… mmmmmmmmm… tssssssssjjjjjjj…

Overdag sliep hij in een kamer waar ik niet mocht komen. Soms vergat ik hoe zijn stem klonk.

Maar dan opende ik de koelkast.

Daar stond het soepbord. Oetker-pudding, vanille of chocolade, of soms Bosto-rijstpap. Halfleeg. Zijn lepel was er al voor een helft geweest, ’s nachts, terwijl ik sliep. De andere helft was voor ons. Ik stond op mijn tenen en keek ernaar en het was het mooiste wat ik kende. Niet de pudding zelf, maar wat de pudding zei. Dat hij er was geweest. Dat hij terugkwam. Dat ergens in die nacht, tussen de machines en de suiker, iemand aan mij had gedacht.

Als hij thuis was, was hij zacht. Zijn handen waren groot en stil en warm. Anders dan die van haar. Alles aan hem was anders dan haar. Maar hij was zo weinig thuis dat ik zijn zachtheid moest bewaren, als iets kleins en breekbaars, voor de dagen dat hij er niet was.

En dan was er mijn moeder.

Ze stond in de deuropening, of bij het raam. Altijd op de grens tussen het huis en de wereld. Ze was er. Elke ochtend, elke avond. Er was geen dag zonder haar. En ik wil dat dat telt, ook nu, ook in dit verhaal. Ze was er. Fysiek althans.

Maar ik kon haar niet voelen, zelfs als ze naast me stond.

Ons huis had geen badkamer. We werden gewassen in een teil in de keuken, mijn moeder met een washandje en water dat altijd net te warm of net te koud was. Haar handen bewogen snel. Ze waste ons zoals ze alles deed: grondig, efficiënt, zonder te treuzelen. Er was geen speelgoed in het water. Er was geen gelach. Er was schoon worden, en dan eruit.

Dat was haar liefde. Ze hield ons in leven. Eten op tafel, kleren gestreken, een huis dat overeind bleef ook al had het geen badkamer en ook al kraakte het in de winter. Maar ze pakte me niet op als ik huilde. Ze rook niet aan mijn haar en zei niet dat ik lekker rook naar buiten. Er was een plek in haar armen waar ik had moeten passen, maar ik heb die plek nooit gevonden.

Ik rolde door het gras. Ik draaide en draaide tot de lucht en de aarde van plek wisselden en alles lachte — mijn lichaam, het licht, de wind. Het lichtblauwe jurkje kleurde groen. Aan de zijkant, aan de achterkant, overal waar ik de aarde had aangeraakt. En ik had de aarde overal aangeraakt.

Dan hoorde ik mijn naam.

Niet zoals mijn vader mijn naam zei als hij thuis was, zacht, alsof het iets kostbaars was. Dit was mijn naam als waarschuwing. Een geluid waardoor de tuin plots kleiner werd.

Ze kwam naar buiten. Ze zei niets. Ze pakte mijn arm en haar vingers waren hard en snel en er zat geen vraag in die hand. Geen wat was je aan het doen. Geen kijk nu toch eens. Alleen de greep. De richting: naar binnen.

Ik wilde zeggen: maar kijk dan. Kijk hoe groen.

Maar ik zei niets. Ik had al geleerd dat dit niet het soort huis was waar je dat zei.

Binnen was het donkerder dan ik me herinnerde. Mijn twee broers en mijn zus leefden in een wereld die ik niet begreep en zij begrepen de mijne niet. Ik was de jongste, het ongelukje, het kind dat er niet had moeten zijn. Dus stond ik daar, met gras onder mijn nagels en de zon nog op mijn huid, en ik was stil. Ik, die nooit stil was. Ik, die buiten alles was geweest — ontdekkingsreiziger, dier, koningin. Ik stond in de gang en ik was niets.

Door het raam scheen de zon nog. Maar er zat een vlek op. Een donkere plek die er net nog niet was geweest. Alsof iemand een vinger op de hemel had gelegd en zei: niet alles is voor jou.

Ik was vier. Of vijf.

En ik begon al te vermoeden dat het licht niet overal scheen.

Plaats een reactie