(work in progress)
Race
Er waren er al vier geweest. Twee die mijn moeder meebracht uit een vorig leven, één die ze had moeten achterlaten in een kistje, en één die ze met mijn vader had gemaakt. Dat was genoeg, vond ze. Meer dan genoeg. Maar ergens midwinter 1976, in een huis achter de suikerfabriek, won een cel de race die niemand had uitgeschreven. Eén cel, sneller dan de rest, of misschien gewoon koppiger.
Er klonk een zacht, nat geluid. Alsof je met je handpalm langzaam over een natte ballon wrijft, maar dan duizendvoudig en tegelijk. Een stroom die geen stroom is maar een dringen — als regendruppels die tegen een raam glijden, allemaal dezelfde kant op. En dan één tik. Eén enkel, dof moment van contact. Zoals een druppel die in stilstaand water valt. Tok. En dan stilte.
Mijn cel vond de andere cel en samen deden ze wat cellen doen: ontstaan. Zonder toestemming. Zonder dat iemand erom had gevraagd.
Mijn moeder voelde het en dacht: nee.
Maar ik was al begonnen. En wat begonnen is, stopt niet zomaar omdat iemand nee denkt. Dat is het eerste wat ik deed op deze wereld: mijn eigen wil doorduwen. Het zou niet de laatste keer zijn.
Het was winter, natuurlijk. Tel maar terug vanaf oktober en je komt in januari uit, en januari in Tienen is altijd winter, ook als het niet vriest. Mijn vader reeg de nachten aan elkaar in de suikerfabriek, waar bieten tot suiker werden door een truc die niemand me ooit goed heeft uitgelegd. Hij had één kind met mijn moeder, mijn oudere broer. Mijn moeder had twee kinderen meegebracht uit haar eerste huwelijk. En er was nog iemand. Een meisje dat ze had gedragen en gebaard en nauwelijks vastgehouden, een meisje dat was verdwenen voordat ze kon blijven. Ook zij was in oktober geboren.
Ik wist dat toen nog niet. Een cel weet zoiets niet. Maar ik denk soms dat mijn lichaam het wel wist, diep in de kern waar geen woorden zijn, en dat ik daarom juist in oktober naar buiten wilde. Niet om haar te vervangen — dat kan niemand. Maar misschien om oktober op te vrolijken.
Het hele jaar 1976 heb ik voor mezelf gehad. Ik begon erin en ik eindigde erin. Geen enkel ander mens kan dat zeggen van 1976. Alleen ik.
Die zomer was de heetste die België zich kon herinneren. De aarde scheurde open, de rivieren werden smal en het asfalt werd zacht onder je voeten. In dat België, in die hitte, in het huis, dat rook naar zeep en bleekmiddel, werd ik geboren. Rood. Luid. Ongewenst. Met krullen die er al waren voordat ik er zelf was, alsof mijn haar eerder klaar was dan de rest van mij.
Niemand had om mij gevraagd. En toch was ik.
Zonnevlek
Het gras rook naar iets wat geen naam had. Ik drukte mijn neus erin en probeerde het te begrijpen, maar het was groter dan ik. Alles was groter dan ik. De tuin, de lucht, de middag. Ik was vier jaar, of vijf. Mijn pijpekrulletjes groeiden alle kanten op, alsof ze het niet eens konden worden over een richting. Ik vond ze mooi. Anderen vonden ze lastig, maar ik niet.
Ik rende. Niet ergens naartoe. Gewoon rennen, omdat mijn benen dat wilden en ik losgelaten werd. De tuin was niet groot, maar dat maakte niet uit. Ik maakte hem groot. Ik was er ontdekkingsreiziger, dier, koningin. Soms alle drie tegelijk. Ik liet me vallen in het gras en het gras ving me op. Het gras stelde geen vragen. Het gras zei niet dat ik te wild was, te luid, te veel. Het gras liet me gewoon liggen.
Ik droeg een jurkje. Lichtblauw, met bloemetjes, of misschien was het geel. Dat soort dingen worden zachter in je hoofd naarmate je ouder wordt. Maar het was mooi. En ik was mooi erin. Dat wist ik, op de manier waarop een kind iets weet: zonder woorden, in het lijf.
Mijn vader werkte in de fabriek. ’s Nachts, als de wereld donker was, stond hij tussen machines die ik me niet kon voorstellen. Een arbeider, dat was hij, en die fabriek stond zo dichtbij dat je haar kon ruiken én horen als de wind verkeerd stond. Mmmmmmmmm… doem… doem… doem… tssssssssjjjjjjj… krrr-KLANG… doem… doem… mmmmmmmmm… tssssssssjjjjjjj…
Overdag sliep hij in een kamer waar ik niet mocht komen. Soms vergat ik hoe zijn stem klonk.
Maar dan opende ik de koelkast.
Daar stond het soepbord. Oetker-pudding, vanille of chocolade, of soms Bosto-rijstpap. Zijn lepel was er al voor een helft geweest, ’s nachts, terwijl ik sliep. De andere helft was voor ons. Ik stond op mijn tenen en keek ernaar en het was het mooiste wat ik kende. Niet de pudding zelf, maar wat de pudding zei. Dat hij er was geweest. Dat hij terugkwam. Dat ergens in die nacht, tussen de machines en de suiker, iemand aan mij had gedacht.
Als hij thuis was, was hij zacht. Zijn handen waren groot en stil en warm. Anders dan die van haar. Alles aan hem was anders dan haar. Maar hij was zo weinig thuis dat ik zijn zachtheid moest bewaren, als iets kleins en breekbaars, voor de dagen dat hij er niet was.
En dan was er mijn moeder.
Ze stond in de deuropening, of bij het raam. Altijd op de grens tussen het huis en de wereld. Ze was er. Elke ochtend, elke avond. Er was geen dag zonder haar. En ik wil dat dat telt, ook nu, ook in dit verhaal. Ze was er. Fysiek althans.
Maar ik kon haar niet voelen, zelfs als ze naast me stond.
Ons huis had geen badkamer. We werden gewassen in een teil in de keuken, mijn moeder met een washandje en water dat altijd net te warm of net te koud was. Haar handen bewogen snel. Ze waste ons zoals ze alles deed: grondig, efficiënt, zonder te treuzelen. Er was geen speelgoed in het water. Er was geen gelach. Er was schoon worden, en dan eruit.
Dat was haar liefde. Ze hield ons in leven. Eten op tafel, kleren gestreken, een huis dat overeind bleef ook al had het geen badkamer en ook al kraakte het in de winter. Maar ze pakte me niet op als ik huilde. Ze rook niet aan mijn haar en zei niet dat ik lekker rook naar buiten. Er was een plek in haar armen waar ik had moeten passen, maar ik heb die plek nooit gevonden.
Ik rolde door het gras. Ik draaide en draaide tot de lucht en de aarde van plek wisselden en alles lachte — mijn lichaam, het licht, de wind. Het lichtblauwe jurkje kleurde groen. Aan de zijkant, aan de achterkant, overal waar ik de aarde had aangeraakt. En ik had de aarde overal aangeraakt.
Dan hoorde ik mijn naam.
Niet zoals mijn vader mijn naam zei als hij thuis was, zacht, alsof het iets kostbaars was. Dit was mijn naam als waarschuwing. Een geluid waardoor de tuin plots kleiner werd.
Ze kwam naar buiten. Ze zei niets. Ze pakte mijn arm en haar vingers waren hard en snel en er zat geen vraag in die hand. Geen wat was je aan het doen. Geen kijk nu toch eens. Alleen de greep. De richting: naar binnen.
Ik wilde zeggen: maar kijk dan. Kijk hoe groen.
Maar ik zei niets. Ik had al geleerd dat dit niet het soort huis was waar je dat zei.
Binnen was het donkerder dan ik me herinnerde. Mijn twee broers en mijn zus leefden in een wereld die ik niet begreep en zij begrepen de mijne niet. Ik was de jongste, het ongelukje, het kind dat er niet had moeten zijn. Dus stond ik daar, met gras onder mijn nagels en de zon nog op mijn huid, en ik was stil. Ik, die nooit stil was. Ik, die buiten alles was geweest — ontdekkingsreiziger, dier, koningin. Ik stond in de gang en ik was niets.
Door het raam scheen de zon nog. Maar er zat een vlek op. Een donkere plek die er net nog niet was geweest. Alsof iemand een vinger op de hemel had gelegd en zei: niet alles is voor jou.
Ik was vier. Of vijf.
En ik begon al te vermoeden dat het licht niet overal scheen.
Rotsrits
Mijn vader was een rots. Dat is het eerste wat ik van hem weet — niet zijn naam, niet zijn leeftijd, niet het werk dat hem ’s nachts weghaalde. Maar dat hij vast stond. Dat hij niet bewoog als ik tegen hem aan rende, dat zijn benen als boomstammen waren en zijn armen als iets waar je in kon klimmen en nooit uit hoefde te vallen. Ik sprong tegen hem op en hij ving me zonder te wankelen, zonder geluid, alsof ik woog wat de wind weegt.
Hij had een kletskop. Maar niet helemaal. Aan de zijkanten stond nog wat haar — rood, net als het mijne, zoals het gras dat ik in de zon had zien branden.
Ik zit op zijn schoot. Ik vlecht die plukjes. Ik draai ze in puntjes, ik maak er staartjes van met elastiekjes die eigenlijk van mij zijn, kleine roze dingen die verdwijnen in zijn grote hoofd. En dan kijk ik naar hem en hij lijkt op een clown en ik lach zo hard dat mijn buik er pijn van doet. Hij lacht ook. Hij doet alsof hij boos is maar zijn ogen lachen al voordat zijn mond het weet, en dat was het mooiste aan mijn vader — dat zijn ogen altijd eerder waren dan de rest van hem.
Hij kon alles nadoen. De boze buurvrouw met haar schrille slepende stem. De vrouw van de bakker die praatte alsof ze de koningin was. De hond van drie huizen verder. Hij deed ze allemaal na en hij deed het zo goed, dat ik niet meer wist of ik om hem lachte of om hen. Hij maakte van de keuken een theater, van het avondeten een voorstelling. Hij kookte — en dat deed niemands vader. Niemands vader stond bij het fornuis met een theedoek over zijn schouder en een pan in zijn hand en zong erbij, vals en hard en zonder schaamte. Maar de mijne wel. De mijne bakte en braadde en roerde en proefde en gooide een pannenkoek zo hoog op dat die dagenlang aan het plafond bleef plakken.
Hij maakte ook schoon. Hij streek. Hij waste af met zijn mouwen opgerold en dan zag ik ze, die armen, die bergen van spieren die de fabriek in hem had gebouwd.
Ik raak ze aan. Ik druk erin met mijn vinger en er gebeurt niks, er geeft niks mee, en ik denk: zo moet een vader zijn. Zo hard dat de wereld er niet doorheen komt.
Soms, als hij in zijn stoel zit en ik klein genoeg ben om ertussen te passen, leg ik mijn oor tegen zijn borst. En dan hoor ik het.
Boem. Boem. Boem.
Diep en traag en zwaar, als iets wat onder de grond beweegt, als iets wat altijd is geweest en altijd zal zijn. Zijn hart klinkt zoals hij eruitziet — als iets wat niet kapot kan. Ik sluit mijn ogen en ik tel de slagen en elke slag zegt: ik ben er, ik ben er, ik ben er. En ik geloof het. Ik geloof het zoals je de grond gelooft.
Maar soms. Soms zat hij in zijn stoel en keek hij naar iets wat ik niet kon zien. Zijn ogen gingen dan naar een plek achter de muur, achter de tuin, achter alles. En dan was hij er wel maar ook niet. Dan zat de rots nog op zijn plek maar zat er een scheur in, die niemand mocht aanraken.
Ik weet nu waarom. Hij had een moeder gehad die Maria heette en hij had voor haar gezorgd toen ze ziek werd. Hij waste haar en voedde haar en hield haar vast terwijl ze kleiner werd. Hij deed dat als jonge man, alleen, omdat zijn vader er niet was en zijn broers en zussen er niet waren — niet op de manier waarop je er moet zijn als iemand langzaam verdwijnt. Hij wist wat het was om iemand te verliezen terwijl je naast hen staat. Hij kende dat lang voordat hij mij kende.
Maar als kind zag ik alleen de ogen. Die ogen die lachten en dan ineens stopten. Die ogen die naar mij keken en ergens anders waren.
Ik was zes toen ze hem opensneden.
Dat is hoe ik het begreep — ze sneden mijn vader open. Ze maakten zijn borst open zoals je een grot openmaakt en ze gingen naar binnen, naar dat ding dat klopte, dat ding dat ik voelde als ik mijn hoofd tegen hem aan legde. Zijn hart. Iemand raakte het hart van mijn vader aan met handen die niet de mijne waren en ik vond het vreselijk. Ik vond het vreselijk dat iemand daar mocht komen waar ik alleen maar tegenaan mocht leunen.
Hij kwam terug. Maar hij kwam anders terug.
Er is een litteken. Ik weet niet meer wanneer ik het voor het eerst zie maar ik weet hoe het voelt onder mijn vingers — een harde lijn, een richel, alsof iemand hem heeft dichtgenaaid zoals mijn moeder een rits in een broek zet, snel en stevig en zonder iets moois ervan te maken. De rits loopt over zijn borst als een rivier die droog is gevallen. Als een weg naar een plek waar niemand heen wil.
Ik leg mijn oor weer tegen zijn borst. Ik zoek het geluid van vroeger.
Boem… boem … fladder… sputter… boem.
Ze zeiden zes jaar. Dokters, denk ik. Mensen in witte jassen die dingen weten over harten. Zes jaar had hij nog. Alsof een mens een kaars is en iemand had gemeten hoeveel was er nog over was.
Na de operatie was de rots er nog. Maar hij brokkelde langzaamaan af.
De man die kookte en zong en de buurvrouw nadeed, die man was er soms nog, maar achter zijn ogen leefde iemand anders. Iemand die boos werd om dingen die klein waren. Een deur die te hard dichtging. Een bord op de verkeerde plaats. Geluid. Te veel geluid.
Dan trok hij zich terug in het Koninkrijk Stilte.
Hij mocht niet meer werken. Ze hadden hem invalide genoemd en ik haatte dat woord, ook al wist ik niet precies wat het betekende. Ik haatte het omdat het hem kleiner maakte. Omdat hij nu thuis zat in de stoel die vroeger alleen van de zondag was en hij zat er op maandag en op dinsdag en op alle dagen en de stoel werd geen troon, de stoel werd een kooi. Hij zat en hij keek en hij was er en hij was er niet. Net als mijn moeder bij het raam, maar anders. Bij haar was het altijd zo geweest.
Het huis werd kleiner. Twee mensen die niet naar elkaar keken, dat nam ruimte in. Mijn moeder liep om hem heen zoals je om een meubel loopt dat in de weg staat. Hij zat. Zij bewoog. Niemand raakte iemand aan. Mijn moeder keek niet naar hem. Ze keek naar het huis. Naar de rekeningen die hij betaalde. Naar het dak, de tuin, het eten op tafel. Ze keek naar alles wat hij gaf. Maar niet naar hem.
Maar dat dacht ik pas later. Toen wist ik alleen dat de keuken stiller was geworden. Dat de pannen minder vaak op het vuur stonden. Dat de man die mijn rots was soms verdween, als ik niet keek.
Ik sta naast zijn stoel. Ik zeg niks. Ik leg mijn hand op zijn arm, op die berg van spier die de fabriek heeft gebouwd en die nu nergens meer voor dient. En hij legt zijn hand op de mijne. En even is hij er weer. Even is de scheur dicht.
Ik was zes. Misschien zeven. En ik leerde al dat een rots geen rots blijft. Dat zelfs het hardste ding scheurt als je het van binnen opensnijdt. Dat vaders ook maar van iets zijn gemaakt — iets zachters dan ik dacht, iets dat breekt zonder geluid, iets dat langzaam weglekt terwijl iedereen blijft doen alsof het er nog is.
Draaimolen
De wereld draaide in die jaren. Niet alleen de mijne — de hele wereld. Op de televisie was altijd slecht nieuws. De frank was minder waard geworden, zeiden ze. Hoe kon geld minder waard worden? Geld was geld, een munt was een munt, twintig frank was een zakje snoep. Maar mijn vader begreep het wel. Hij zat in zijn stoel en sloeg met zijn hand op de leuning en zei een woord dat ik niet mocht herhalen. Mijn moeder draaide het geluid zachter.
Er waren demonstraties. Duizenden mensen op straat, in Brussel, tegen de raketten. Kernraketten, zeiden ze op het nieuws, en ik wist niet wat dat was maar het woord klonk zoals het voelde — hard en scherp en te groot voor mijn mond. Op de beelden liepen de mensen zo dicht op elkaar dat je de straat niet meer zag, alsof de mensen zelf de straat waren geworden. Mijn vader zei dat ze gelijk hadden. Mijn moeder zei niets.
En dan was er de Bende. Dat woord kende ik niet, maar het geluid ervan wel — het gefluister van mijn moeder aan de telefoon, het gezicht van mijn vader als het journaal beelden liet zien van de Delhaize met gebroken ruiten en politieauto’s met zwaailichten. Mensen werden doodgeschoten. In winkels. In gewone winkels waar gewone mensen boodschappen deden, melk en brood en koffie. Ik begreep niet hoe dat kon — dat je doodging bij het kopen van koffie. Mijn moeder ging een tijdlang niet meer ’s avonds naar de winkel.
Maar buiten. Buiten was het anders.
Buiten was van ons. Van de kinderen. We speelden oorlogje tot onze knieën zwart waren. We voetbalden tot de bal in een tuin belandde waar we hem niet durfden halen. We schreeuwden en renden en deden alsof de wereld van ons was, en niemand zei dat het niet mocht, want de volwassenen hadden het te druk met hun eigen oorlogen.
En er was muziek. Mijn oudste broer had boxen gehangen aan de buitenkant van onze zijgevel, bruin en dof, en daaruit klonk het, luid, over de hele straat, over de hele buurt, alsof de muur zelf zong.
Ik dans wel met mezelf.
De Kreuners. Ik kende het liedje niet bij naam maar ik kende het bij gevoel — dat je alleen kon zijn en dat het niet erg was, dat je op je eigen muziek kon bewegen en dat niemand daarvoor hoefde te kijken. De boxen dreunden en de ramen trilden en de buren zeiden er niets van, of misschien wel, maar mijn broer hoorde ze niet, want de muziek was luider dan alles.
Achter ons huis was de superette. Niet op de hoek — erachter. Een winkeltje dat te klein was voor zijn eigen naam. Daar gingen we snoep halen. Zuurtjes, zoute drop, toverballen die van kleur veranderden in je mond. Ze kwamen in kleine witte zakjes, zacht papier dat ritselde als je het openvouwde. Met twintig frank kon je een zakje vullen en dan was je koning.
Maar we gingen er ook naartoe voor onze vader. Sigaretten. De gazet. We legden het geld op de toonbank en de vrouw gaf ons het pakje zonder vragen, want zo ging dat toen — kinderen kochten sigaretten voor hun vader en niemand die met zijn ogen rolde. Ik liep terug met het pakje Bastos in mijn hand en het rook al naar hem voordat hij het had aangeraakt.
Mijn zus werd gevormd. Dat was anders dan de communie, groter, want de bisschop kwam. Een echte bisschop, met een mijter en een staf en een stem die de kerk vulde alsof hij hem zelf had gebouwd. Ik zat op de houten bank en ik keek omhoog en het licht viel door de ramen in kleuren die niet bestonden in de gewone wereld — blauw als water, rood als bloed, geel als iets heiligs. En omdat de bisschop er was, was er drank.
Ze deelden het uit in de kerk. Bekers die van hand tot hand gingen, en in die bekers zat iets dat eruitzag als appelsap. Het was goudkleurig en het rook naar appels en ik dacht: appelsap. Ik dronk.
Glok. Glok. Glok.
Het eerste glas smaakte naar appels.
Het tweede smaakte naar iets warmers.
Het derde smaakte naar niets meer.
En dan begint het draaien. De kerk draait. De banken draaien. De bisschop draait in zijn goud en zijn rood als een dronken Sinterklaas. De gezichten van de mensen draaien als paarden op een kermis, rond en rond en rond, en ik zit erop en ik kan er niet af. De draaimolen stopt niet. Mijn maag stijgt en mijn hoofd daalt en de wereld kantelt als een bord dat van een tafel glijdt en ik lach, denk ik, of ik huil, ik weet het niet meer, want op een draaimolen lijkt alles op alles.
Iemand tilt me op. Ik weet niet wie. Ik weet alleen dat thuis de zetel is, zacht en groot, en dat ik erin lig als iets wat gevallen is en niet meer overeind komt. Ik lig voor pampus. De wereld wiegt nog, langzaam. Een boot op water dat niet stilstaat.
Er was ook de schaar.
Ik speelde kappertje. Dat was een spel dat ik zelf had bedacht, of misschien had ik het ergens gezien — Jean-Paul onze vaste kapper die het haar van mijn moeder knipte, langzaam, bedachtzaam, alsof hij iets kostbaars aan het snijden was. Ik wilde dat ook. Ik wilde het geluid van de schaar. Ik wilde mijn moeder mooi maken, zodat ze eindelijk eens kon lachen.
Zij lag in de zetel. Misschien was ze moe. Misschien had ze even geen kracht om nee te zeggen. Of misschien dacht ze dat ik deed alsof, dat het spel was, dat er geen echte schaar aan te pas kwam. Maar er kwam een echte schaar aan te pas.
Knip.
Knip.
Knip.
Het haar valt. Niet een plukje, niet een haartje — een hele lok, lang en vals blond, neerdwarrelend op de tegels. En ik kijk ernaar en ik vind het mooi. Ik vind het prachtig, dat haar op die vloer, alsof ik iets gemaakt heb, iets nieuws.
Mijn moeder voelt het. Ze grijpt naar haar hoofd, naar de plek waar het haar had moeten zijn. Ze draait zich om en ik zie haar ogen en er zit geen lach in, er zit geen spel in. Er zit iets wat ik niet kan benoemen, iets wat groter is dan boos.
Ik ren. Ik ren zoals ik altijd ren — hard en snel en zonder richting.
En dan de vis. Het was een doordeweekse avond en we aten kabeljauw. Ik was het soort kind dat speciaal eten te snel doorslikte. De graat zat vast. Niet in mijn keel — dieper, op een plek waar ik niet bij kon, een plek die ik niet kende. Ik voelde hem steken, scherp en smal, als een naald die iemand in mijn binnenkant had achtergelaten.
Ik slik. Het wordt erger. Ik slik nog een keer.
En dan val ik. Achterover, met kruk en al, en mijn hoofd raakt iets hards — de grond, of de muur, of allebei — en er is een geluid.
KLAK.
Niet zacht. Niet als iets wat veert. Hard, droog, als een tak die breekt. En even is alles stil. Even is de keuken weg en mijn moeder weg en de vis weg en er is alleen dat geluid dat naklinkt in mijn schedel als een bel die niet ophoudt met trillen.
De hersenschudding op school kwam later. Of eerder. Ik weet de volgorde niet meer, want in herinneringen bestaan geen kalenders. Het Onze-Lieve-Vrouwecollege. De speelplaats. Er was een jongen. Groot. Te groot voor zijn leeftijd, een van die kinderen die eruitzien alsof ze in een ander jaar thuishoren, een ander lichaam, een andere school. Hij rende en ik stond daar. Dat was alles. Hij rende en ik stond en hij raakte mij en de wereld klapte dicht.
BOENK.
Ik lag op de grond en de lucht was grijs en te dichtbij en alles draaide weer. De draaimolen. Dezelfde draaimolen als in de kerk, als op de kruk, als altijd.
En dan de auto van de directeur. Ik zit op de leren achterbank van de Mercedes W123 en de directeur rijdt en hij is beleefd, zo beleefd als alleen een directeur kan zijn, met een stem die zegt dat het niet erg is terwijl alles aan hem zegt dat het wél erg is. En dan geef ik over. In zijn auto. Op zijn achterbank. En mijn moeder — mijn moeder die nooit rood wordt, die nooit iets voelt waar je bij bent — mijn moeder schaamt zich zo diep dat ik het kan voelen zonder haar aan te kijken. Die schaamte kleeft aan mij als een geur die niet weggaat, zwaarder dan het braaksel, zwaarder dan alles.
De directeur zegt iets. Iets als het geeft niet of dat kan gebeuren. Maar zijn handen klemmen om het stuur en ik leer op mijn zevende, dat volwassenen liegen met hun mond terwijl hun handen de waarheid vertellen.
De wereld draaide in die jaren. De frank verloor zijn waarde. De Bende schoot. De mensen marcheerden tegen de raketten. De boxen aan de zijgevel speelden De Kreuners. En ik — ik viel. Van krukken, van speelplaatsen, van alles wat niet stevig genoeg was om mij te houden. Ik viel en ik stond op en ik viel weer, en niemand legde uit dat dat niet normaal was, dat een kind niet zo vaak op haar hoofd hoort te vallen, dat een wereld niet zo hard hoort te draaien.
En ik dacht dat het aan mij lag. Dat ik te snel was, te wild, te veel. Dat de draaimolen niet stopte omdat ik niet wist hoe je eraf moest springen.
Dat ik het zelf was die bleef draaien.
Duivenkot
We verhuisden vanwege de trappen. Dat was de officiële versie. Het hart van mijn vader was opengesneden en weer dichtgenaaid, en de dokter had gezegd: geen fabriek en trappen meer. Mijn moeder, die precies op dit soort uitspraak had gewacht, geduldig, volhardend, vond snel een modern appartement.
Het leven van morgen, vandaag.
Vrienden van haar hadden net eentje op de tweede verdieping gekocht, recht boven het onze.
Wij kwamen op de eerste verdieping. Nummer 13.
Het nummer was van plastic. Goedkoop plastic, het soort dat je met je nagel kon krassen. Ik herinner me niet dat ik eraan dacht, die eerste keer. Het was gewoon een getal. Een adres. Zoals 12 gewoon twaalf was, en 14 gewoon veertien.
Maar jaren later — ik weet niet meer precies wanneer — hoorde ik ergens dat dertien niet goed was. Friday the Thirteenth. Hotels die geen dertiende verdieping hadden. Vliegtuigen die rij dertien oversloegen. En ik dacht: wacht. Dat was mijn getal. Dat was waar ik woonde.
Ik begon te tellen. De adressen waar ik had gewoond. De nummers. En steeds wanneer dertien voorkwam gebeurde er iets. Niet altijd iets groots. Maar iets. Een ruzie. Een ongeluk. Een pijn die bleef hangen. Het soort dingen dat je als kind voelt zonder dat je weet wat je voelt.
Dus begon ik het te vermijden. Ik telde niet naar dertien. Ik zei het getal niet hardop. Ik sloeg het over op lijsten, in gedachten. Achttien, negentig, honderdtwaalf — alles behalve dertien. Dat was mijn obsessie. Dat was mijn regel. En niemand zei me dat het belachelijk was, want wie ziet het als een kind bang is voor een getal?
Het werkte niet, natuurlijk. Vermijding werkt nooit. Maar op dat moment dacht ik dat het werkte, en dat was genoeg.
Er waren twee liften — een heel kleine, waar je met twee mensen al elkaars adem deelde, en een grotere voor de rest van de mensheid.
De verhuizing zelf wil ik vergeten. Ik kan het niet. Dozen. Stemmen in het trappenhuis. Dingen die niet pasten. Ik was zeven en de knoop in mijn maag was groter dan ik. Ik ben sindsdien zo vaak verhuisd dat het een sport is geworden, maar de afkeer is nooit weggegaan. Die eerste keer heeft zich in mijn lichaam geschreven, ergens tussen mijn ribben, en zit er nog.
Het eerste wat ik deed was het bad aanraken.
Ik had nog nooit een bad gezien. Een kuip, wit en diep, met kranen die je kon opendraaien en dan kwam er warm water, zomaar, zonder dat iemand een ketel op het vuur hoefde te zetten, zonder te wachten. Ik draaide de kraan open en ik keek. Het water steeg. Ik stak mijn hand erin. Warm. Ik kleedde me uit en ging erin liggen, en het water sloot zich om mij heen, en ik dacht: dit is hoe rijke mensen leven. Elke dag.
We waren verre van rijk. Maar op dat moment, in dat water, wist ik dat nog niet, en het was het mooiste moment van de hele verhuizing.
Er stond ook een bidet naast het toilet. Niemand heeft ooit uitgelegd wat het was. Zes jaar lang niet. Het stond daar, wit en raadselachtig, stof en kalkvlekken vergarend, en ik respecteerde zijn stilzwijgen.
Het behang met gele vierkanten en een saaie, bruine kern, was een ontwerp dat in niets aansloot bij de levendige fantasie van een kind. Er waren kasten die geplaatst moesten worden — ze zijn nooit geplaatst. Om een bureau moest ik maandenlang smeken, tot mijn vader er uiteindelijk een kocht. Niet omdat hij overtuigd was, maar omdat hij het smeken niet meer aankon.
Mijn vader noemde het duivenkot. Eerste dag. Raam. De andere ramen die terugkeken. Al die levens, gestapeld op elkaar, zei hij. Duiven in hun koten.
Hij had een volière, in het oude huis. Kanaries. Ik herinner me het geluid — dat voortdurende kwetteren, die kleine hartjes die sneller klopten dan de onze — en ik herinner me de stilte toen we verhuisden en de vogels er niet meer waren. Hij huurde een stuk grond aan de andere kant van de stad. Hij bewerkte het elke dag — tomaten, bonen, fruit, groenten die hij met zijn handen uit de aarde trok. Er stond een kooi met een konijn, Blackie.
Het appartement was te klein. Mijn moeder wist precies waar ze mijn vader kon raken, en de kamers waren te klein om ergens te schuilen. Soms voelde het als de kooi van Blackie. Dat is wat ik me het meest herinner van die zes jaar. Niet de zomers. Niet de BMX-fietsen. Niet de boobytraps en niet Sandra Kim.
Ik herinner me de stemmen.
Ze begonnen altijd in de woonkamer en eindigden vreemd genoeg in de gang of aan de voordeur. Mijn moeder die iets zei, scherp, precies gericht, en mijn vader die groter werd. Niet fysiek — mijn ouders waren allebei klein van gestalte — maar zijn stem was dat niet. Zijn stem vulde de kamer. En dan vulde haar stem de kamer, en dan was er geen kamer meer, alleen stemmen, en ik zat in mijn bed en telde de muren.
Soms was het meer dan stemmen. Soms hoorde ik dingen breken. Soms hoorde ik dingen die ik niet kan beschrijven omdat ik ze als kind hoorde en een kind heeft daar geen woorden voor. Een kind heeft alleen het geluid, en het geluid zit in je lichaam, niet in je hoofd, en je lichaam vergeet niets.
Mijn moeder had woorden die geen blauwe plekken achterlieten maar die erger waren dan blauwe plekken, want blauwe plekken verdwijnen. Haar woorden bleven. Ze bleven in de muren van het appartement en in het behang dat we nooit veranderden en in het plastic cijfer op de deur. Nummer 13.
Overdag rende ik buiten. Overdag was ik onverslaanbaar. Maar ’s avonds kwam ik terug naar het duivenkot, en het duivenkot was te klein voor al die woede, en ik was te klein voor al die woede, en er was nergens om naartoe te gaan behalve mijn bed en mijn rozenkrans en mijn plastic typemachine — tak, tak, kreeeetchhhh, tak, tak — wanneer ik de toetsen indrukte, en dat geluid — dat klikken — was het enige geluid in het appartement dat van mij was.
Mijn oudste broer vertrok als eerste. Toen waren we met vijf, en vijf was nog steeds te veel.
Maar dat was ook het geschenk. Want het appartement duwde ons naar buiten, elke ochtend, en buiten was waar alles begon.
Vóór het gebouw lag een stuk grond waar niemand ooit iets mee deed. Betonnen buizen op hun zij. Heuvels van aarde. Een puinhoop. Ons paradijs. We hadden BMX-fietsen en skateboards en stokken die zwaarden waren, en we hadden — dit is belangrijk — we hadden films.
We leefden in een tijd waarin je naar de videotheek fietste om VHS-cassettes te huren, en je keek ze alledrie achter elkaar, en dan geloofde je alles. We keken The Goonies, en daarna zwoeren we eden aan elkaar, plechtig, met onze handen op onze borst, en we meenden het.
Goonies never say die.
We keken The Karate Kid, en daarna geloofden we echt — niet een beetje, niet als grap, maar met ons hele lijf — dat we dat ook konden, die kick, die draai, die ene klap die alles oploste. We bouwden boobytraps van touw en takken en stokken. Er was een andere bende, van de Kattenstraat, en wij hadden hinderlagen, en zij hadden hinderlagen, en niets werkte ooit, maar alles werkte altijd, want dat is het geheim van negen zijn: de wereld doet precies wat je wilt, zolang je er hard genoeg in gelooft.
Er was een tuin bij het appartementsgebouw, maar daar mochten we niet komen. Oude mensen. Klachten. Dus bleven we op ons stuk grond, en we waren er Thundercats, He-Men en She-Ra’s, dan kon niemand ons daar wegjagen.
Ik maakte meer vrienden in die eerste zomer dan in mijn hele vorige, korte leven. We kwamen thuis wanneer de straatlantaarns aangingen. Soms zelfs dan niet. En er was altijd Meneer Grauwels die vanuit een raam naar beneden keek — een moeder, een oma, een buurvrouw — die ons in de gaten hield. Altijd iemand. En toch niet altijd. Soms waren we alleen, echt alleen, een troep kinderen zonder volwassenen, en we vandaliseerden dingen en klommen over muren en renden door straten, en de wereld was groot en warm en van ons.
Tot de film.
De film heette Adam.
Het begon met een tekst op het scherm, en die tekst zei dat dit gebaseerd was op feiten. Op feiten. Ik wist wat feiten waren. Feiten waren dingen die echt waren gebeurd, niet verzonnen, niet bedacht, niet het soort verhaal dat je kon uitzetten door de televisie uit te doen. Ik keek naar die tekst en iets in mij ging rechtop zitten.
Het ging over een jongetje. Zes jaar oud. Hij was met zijn moeder in een winkelcentrum, en zijn moeder liep even weg, niet ver, niet lang, en toen ze terugkwam was hij er niet meer. Weg. Zomaar. Te midden van al die mensen, al die winkels, al dat licht, was een kind verdwenen.
Ik herinner me niet alles van die film. Ik herinner me niet het einde. Wat ik me herinner is dit: de wereld voor de film, en de wereld na de film, en dat die twee werelden niet dezelfde waren.
Want tot die avond had ik niet geweten dat kinderen afgepakt konden worden. Dat een volwassene je van de straat kon plukken, van je fiets, uit een winkelcentrum vol mensen, en dan was je weg. Gewoon weg. Ik wist dat de wereld niet perfect was — ik had genoeg gezien in mijn eigen huis, genoeg verdriet en onverschilligheid, een woordenoorlog achter gesloten deuren — maar dit was iets anders. Dit was de ontdekking dat de buitenwereld, de wereld waar ik elke dag op mijn BMX doorheen scheurde, de wereld van de straatlantaarns en de tuinslangen en de eden die we zwoeren, dat die wereld niet veilig was. Niet voor kinderen. Niet voor mij.
Ik kon er niet van slapen. Niet die nacht, niet de nachten erna. Ik lag in mijn bed in het duivenkot en ik dacht aan het jongetje, en aan zijn moeder die even niet keek, en ik dacht: dat kan mij ook gebeuren. Overdag rende ik nog steeds over ons stuk grond. Overdag was ik onverslaanbaar. Maar ’s nachts was ik maar zeven, en zeven is niet genoeg om de wereld aan te kunnen.
Toch was ik ook het kind dat elke avond naast haar bed knielde en een halve rozenkrans bad, en echt geloofde — niet een beetje, niet als ritueel, maar met alles wat ze had — dat Maria zou komen. De Heilige Maagd. Ze zou komen en ze zou ons redden en ze zou geld brengen, zodat de kasten geplaatst konden worden en het behang kon veranderen, en misschien, misschien, zou mijn vader dan ophouden het het duivenkot te noemen. Ik was heel specifiek in mijn gebeden. Ik had geleerd dat je concreet moest zijn.
Maria kwam nooit. Het behang bleef.
Maar ik bleef bidden, elke avond, en ik denk nu dat het niet om Maria ging. Het ging om het knielen. Om de rust. Om het moment waarop de dag ophield en er alleen mijn stem was, zacht, in het donker, en ik alles wat ik voelde ergens naartoe kon sturen. Meditatie, zou ik het later noemen. Toen noemde ik het bidden. Het maakte niet uit.
Ik was ook het kind dat geloofde dat muziek haar zou redden.
Ik luisterde naar Duran Duran — Notorious, steeds opnieuw, tot ik elk woord kende, elke pauze, elke ademhaling. George Michael. Whitney Houston. En Paul McCartney — Once Upon a Long Ago — een lied over het verleden, over hoe dingen vroeger eenvoudiger waren. Ik was elf toen ik het voor het eerst hoorde. Ik had maar een mini-verleden. Maar ik draaide het tot de cassette versleet, want het lied begreep iets wat ik niet kon benoemen, en soms heb je een lied nodig dat het voor je zegt.
Once upon a long ago
Children searched for treasures
Nature’s plan went hand in hand with pleasure
Such pleasure
Blowing balloons on a windy day
Desolate dunes with a lot to say
Tell me, darlin’, what have you seen?
Once upon a long ago
Children searched for treasures
Nature’s plan went hand in hand with pleasure
My pleasure
Ik leerde mezelf dansen door naar Michael Jackson te kijken. In de woonkamer, wanneer niemand thuis was, spoelde ik de band terug. En terug. En terug. De moonwalk. De draai. Ik bewoog niet zoals hij. Het ging niet om het resultaat. Het ging om het moment zelf — alleen in de woonkamer, de muziek hard, mijn lichaam dat probeerde iets te zijn wat het nog niet was. Juf speelde ik ook. Ik zette mijn knuffels op een rij en gaf ze les, streng en rechtvaardig, en ik geloofde dat ik later juffrouw zou worden, of danseres, of allebei, want als je zeven bent kun je alles tegelijk zijn.
En ik schreef. Toen ik negen was, kreeg ik een speelgoedtypemachine. Plastic. Donkergrijs. Kleine botjes die klikten wanneer je de toetsen indrukte. Het was het mooiste voorwerp dat ik ooit had gezien. In een appartement waar heel weinig helemaal van jou is, was deze typemachine helemaal van mij.
Ik schreef een roman. Lien gaat naar Amerika. Het ging over iemand die Lien heette en naar Amerika ging. Dat was het hele verhaal, en het was genoeg.
Maar ik schreef vooral poëzie. Kleine gedichten, op kleine stukjes papier, die ik verstopte op plekken waar niemand ze zou vinden. Poëzie is een geheim zelfs wanneer het niet over geheimen gaat. En ik had veel geheimen. De jongen in het appartement tegenover het onze. De angst ’s nachts. De gebeden die niet verhoord werden. De rozenkrans. De boobytraps en de eden. De muziek. Het dansen. Het gevoel, steeds vaker, dat de wereld enorm was en dat ik er middenin stond, zeven, acht, negen, tien jaar oud, te klein om het te begrijpen, te groot om het niet te voelen.
Op zondagochtend om zeven uur, terwijl het hele huis nog sliep, keek ik met mijn broer naar Franse tekenfilms. Die vroege ochtend was van ons. Ons geheime uur. In Jolie Candy leerde ik hoe de liefde eruitzag: blond haar, gouden huid, zachte ogen, een paard, een zwaard, een belofte. Atreyu, in The Neverending Story. De prins op het witte paard. Ik wist nog niet dat ik een model aan het bouwen was, daar op de bank in mijn nachtkleed om zeven uur ’s ochtends, en dat ik de rest van mijn leven tevergeefs zou zoeken naar iemand die erin paste.
En toen kwam de jongen van nummer 8 bij ons spelen. Bij ons!
Blond haar. Huid van goud, donker van de zon. Zacht. Teder. Hij rook lekker, en ik was tien, en ik was verloren.
Zes jaar lang. Zes jaar keek ik naar hem en noemde ik het niets. Als hij op zijn fiets voorbijkwam, vertraagde alles. Werd goudkleurig. De rest van de straat viel weg. Zes jaar lang.
Dat was de lat en ja, te hoog! Elk persoon van wie ik ooit daarna zou houden, werd afgemeten aan een jongen op een fiets die naar zeep rook en niet wist dat ik bestond.
In 1986 won Sandra Kim het Eurovisiesongfestival. J’aime la vie. Ze was dertien. Ik was tien. Het hele land vierde feest, en wij ook, in ons duivenkot met het lelijke behang en de kasten die er nog steeds niet stonden, en we dansten in de woonkamer, en even was alles goed. Even hoorden we ergens bij. Even waren we winnaars.
Mijn vader is het nooit anders gaan noemen dan het duivenkot. Maar soms, ’s avonds, wanneer het licht laag en oranje door het keukenraam viel en hij terug was van zijn stuk grond met aarde onder zijn nagels, zat hij in zijn stoel en luisterde hij naar mij die tikte op mijn plastic typemachine. Hij zei niets. Zijn niets was warm.
En ik denk — ik denk — dat hij bijna gelukkig was.
Bijna is een land waar mijn vader woonde. Hij had er een permanente verblijfsvergunning.
Hoekske
Mijn zus pakt haar fiets.
— Ik ga naar Het Hoekske.
— Ik ga mee.
— Nee.
— Ma ik heb twintig frank.
Trots laat ik haar het stuk zien. Rond, zwaar, glimmend in mijn handpalm. Twintig frank is een zakje snoep. Een zakje snoep is alles.
— Nee. Gij blijft hier.
— Ma, Carla? CARLA WACHT!!! —
TSJIK TSJIK TSJIK TSJIK. Haar trappers. Haar ketting. Ze is al weg. Haar rug die kleiner wordt. Ze kijkt niet om. Oudere zussen kijken nooit om.
Ik pak mijn fiets.
Het is maar één straat. Eén straat, oversteken en dan Het Hoekske, met die glazen potten op de toonbank, zure matjes en colaflesjes en veters, die smelten in je mond. Ik moet haar inhalen. We moeten samen de straat oversteken, want alleen mag niet, alleen is mijn moeder die boos wordt.
TSJIK TSJIK TSJIK TSJIK TSJIK. Harder. Sneller. De twintig frank tikt tegen mijn been bij elke trap. TIK. TIK. TIK. De wind in mijn oren. WOESJ. Ik zie haar niet meer. Te snel. Ze is al om de hoek.
En dan denk ik. Ik wil terug. Ik had niet mogen gaan. Ik mag niet alleen op straat. In volle vlucht trap ik op de torpedo-rem.
KNAK.
Het achterwiel blokkeert. De fiets stopt. Ik niet.
Ik vlieg over het stuur. De lucht. Even vlieg ik door de lucht, en mijn handen die niets grijpen, en de wereld die kantelt —
KLATS.
Mijn gezicht op het asfalt. Mijn hele gezicht. Mijn neus, mijn mond, mijn voorhoofd, mijn kin — alles tegelijk. Een lichaam van zeven jaar oud, met volle snelheid, op steen.
Stilte.
Mijn ogen zijn open maar ik zie niets. Of ik zie alles — het asfalt, heel dichtbij, de steentjes erin, en iets roods dat niet van het asfalt is. Iets van mij.
De pijn komt niet meteen. Eerst is er alleen de verbazing. Dan — BOEM — alles tegelijk. Mijn hele gezicht ontploft vanbinnen. Mijn schedel. Mijn tanden. Mijn ogen die kloppen, BONK BONK BONK, mijn eigen hartslag in mijn gezicht. Ik wil schreeuwen maar mijn mond is vol. Vol van iets warms. Vol van iets dat naar ijzer smaakt.
Ik blijf liggen. Ik kan niet anders. De wereld draait. De lucht boven mij draait. Alles draait.
…
— Meiske? Meiske, hoort ge mij?
Een hand op mijn schouder.
— Ni bewegen, meiske. Blijft liggen.
— Is dat het kind van nummer 13?
— Belt nen ambulance. Nu. NU.
Ik open mijn ogen. Een gezicht boven mij. Een vrouw. Ik ken haar niet. Of misschien ken ik haar wel. Haar mond beweegt maar haar woorden komen vertraagd, een paar seconden na haar lippen, en ik wil zeggen dat ik twintig frank heb, dat ik snoep wil. Maar ik kan niet meer op klanken of woorden komen.
— Jezus, kijkt naar dat gezicht.
— Ni aanraken. Ni aanraken. Wacht op den ambulance.
De lucht is blauw. Gewoon blauw. Er vliegt een vogel. En dan niets meer.
…
TOETOETOETOETOETOETOE!
Ik lig op iets hards. Het beweegt. Het schudt. De sirene zit in mijn botten.
— Kunt ge mij zeggen hoe gij heet?
Een man in het wit. Hij buigt zich over me. Hij ruikt naar ontsmettingsmiddel en kauwgom.
— Hoe oud zijt gij?
Ik steek mijn vingers op. Ik denk dat het zeven is. Of acht. Mijn vingers werken niet goed.
— Goed zo, meiske. We gaan naar het ziekenhuis in Leuven, oké? Uwe papa is hier ook.
De ziekenwagen schudt. BONK. Mijn hoofd bonkt mee. BONK BONK BONK. Elke kuil een bom in mijn schedel.
Plots — een ruk. Alles schuift.
PIIIIIIIIEP.
— GODVERDOMME!
— Alles goed daarachter?
— Bijna-ongeval. t’ Gaat. Rijd ma door.
Ik denk: ik ga dood in deze ziekenwagen. Ik ga dood op weg naar het ziekenhuis. Ik ga dood en ik heb mijn zakje snoep niet eens gekregen.
…
Het ziekenhuis. Alles wit. De lakens, de muren, de gezichten van de dokters die boven mij hangen.
— Schedelbreuk. Hersenschudding.
— De zoveelste, hè?
— De zoveelste.
De zoveelste. Zeven jaar oud en mijn hoofd is al zo vaak gebroken dat ze het niet meer tellen. Dat niemand het meer telt. Wat moet een kind allemaal doorstaan met dat kleine lichaam? Hoeveel keer mag een schedel breken voor iemand zegt: genoeg?
KNIK. KNIK. KNIK.
De schaar. In mijn haar. Plukken die vallen op het laken. Ik voel ze op mijn schouders. Licht. Dood. Dat was mijn haar. Mijn haar dat ik elke ochtend kamde. Dat van mij was. Niemand heeft het gevraagd. Niemand zegt: we gaan nu je haar knippen, is dat goed? Ze doen het gewoon. Want wie vraagt een kind iets?
…
KLIK KLAK KLIK KLAK.
De hakken van mijn moeder op de ziekenhuisvloer. Ik herken ze voor ik haar zie.
Ze kijkt naar mij. Ze kijkt naar het verband om mijn hoofd. Ze kijkt naar het infuus. Ze zucht. Geen zucht van opluchting, nee. Het andere soort.
— Wat hebt ge nu weer gedaan?
Ik zeg niets. Mijn mond doet nog steeds pijn. Alles doet pijn.
— Ik had toch gezegd dat ge thuis moest blijven? Heb ik dat gezegd of ni?
Ik knik. BONK. Mijn hoofd straft me voor het knikken.
Ze draait zich om naar de verpleegster.
— Hoe lang moet ze hier nog blijven?
Niet: doet het pijn? Niet: zijt ge bang? Hoe lang. Want ik ben iets dat opgelost moet worden. Iets dat te lang duurt.
…
Mijn vader komt later. KLIK. De deur. Zachte stappen. Hij zegt weinig. Hij gaat zitten op de stoel naast mijn bed.
— Doet het pijn?
Ik knik. Voorzichtiger dit keer.
— Het gaat over, meiske.
Hij legt zijn hand op het laken, vlakbij de mijne. Niet op mijn hand. Vlakbij. En dat is alles wat hij kan geven. En het is genoeg.
Hij blijft. De hele avond. Hij zegt niets meer. Maar hij blijft.
…
KLETTER. Het bord op het tafeltje naast mijn bed. Avondeten. Iets grijs. Het ruikt naar niets. Het ziet eruit als iets dat al een keer gegeten is en toen heeft besloten om terug te komen.
— Papa?
— Ja?
— Ik wil frieten.
Hij lacht. Kort. Zacht. Met zijn ogen.
— Die hebben ze hier ni, denk ik.
— Maar ik wíl ze.
— Ik weet het.
Ik eet het grijze. Het smaakt naar karton en spijt.
…
Twee dgen later ga ik naar de spiegel.
Ik moet me vasthouden aan het infuusstatief. De wieltjes piepen op de vloer. KRIEK KRIEK KRIEK. De wereld beweegt nog steeds een beetje. De wereld is niet meer opgehouden met bewegen sinds het asfalt.
In de spiegel staat een monster.
Frankenstein. Dat is wat ik denk. Frankenstein, van de film die ik niet had mogen zien maar toch had gezien. Mijn gezicht is blauw. Niet mooi blauw. Niet het blauw van de lucht of van water. Het blauw van kapot. Paars rond mijn ogen — twee kringen, donker, diep. Geel aan de randen, waar het blauw begint te vergaan, smerig geel. Mijn lip is gescheurd. Mijn neus zit onder de korsten. En mijn haar — mijn haar — er zitten hechtingen in mijn schedel. Draadjes. Ik kan ze zien. Ik kan ze voelen als ik er met mijn vingers overheen ga. Er zitten draadjes in mijn hoofd en mijn haar is weg en mijn gezicht is blauw en paars en geel.
Zeven jaar.
Ik kijk naar het meisje in de spiegel en het meisje kijkt terug en geen van ons tweeën weet wie de ander is.
…
Soms denk ik nog aan die cent, de twintig frank. Waar is hij gebleven? Ligt hij nog op straat, eenzaam tussen het asfalt en het bloed? Heeft iemand hem opgepakt? Is hij in de goot gerold, naar het putje, naar het riool, naar ergens waar twintig frank niets meer waard is?
Menneke
De zomer was voorbij. De blauwe plekken waren weggetrokken. Het paars rond mijn ogen, het geel aan de randen — verdwenen. Maar mijn haar was niet teruggekomen. Haar is geduldig. Haar neemt zijn tijd.
Op de eerste schooldag keek ik in de spiegel en ik zag niet wie ik was geweest voor de fiets. Ik zag iemand anders. Een kind met een jongenskop. Een vierkant gezicht. En een lichaam dat te veel ruimte innam, want ik was dik geworden die zomer. Ik had mijn emoties opgegeten. Want ik had honger, voortdurend, een honger die niets met voedsel te maken had maar die je alleen met voedsel kon beantwoorden. Andere antwoorden kende ik niet.
Mijn bermuda spande rond mijn middel. Vorig jaar spande hij niet.
De slagerij lag tussen de school en ons appartement. Mijn moeder stuurde mij erheen, elke week, met een briefje en een portemonnee. Ik moest vragen om vlees voor de koffietafel, om worst, om wat voor dat weekend op tafel moest.
TINGELING. De bel boven de deur. De geur van ijzer en zaagsel. De vitrine met de witte tegels, het rode vlees op de witte tegels, de prijskaartjes met een zwart priktongetje in het karton.
De slagersvrouw. Groot, roze, schort vol vlekken.
— Ah, daar is ons menneke!
Ik zei niets. Ik hield het briefje omhoog. Mijn wangen brandden.
— Wa mag ik u geven vandaag, menneke?
Menneke.
Ik was geen menneke. Ik was een meisje. Ik was altijd een meisje geweest. Maar mijn haar was weg en mijn gezicht was vierkant en mijn lichaam was te groot en de slagersvrouw zei menneke en ze wist niet dat ze iets wegnam van mij, elke keer, een klein stukje, zoals ze de plakjes sneed van de boterham-worst — DZIEUW DZIEUW DZIEUW — dunne plakjes van wie ik was, elke week weer, tot er niets meer over was.
— Vier sneekes kippiewit, zei ik. Zacht.
— Wa zegde gij, menneke? Spreekt is wa luider.
— VIER SNEEKES KIPPIEWIT!
— Ah! Da’s gesproken se. Komt d’er nog iets bij?
Ik schudde mijn hoofd. Ik telde het geld met natte vingers. Ik nam het pakje aan. TINGELING. De bel boven de deur. Ik stond op straat en ik huilde niet, want kinderen die dik zijn en kort haar hebben mogen niet huilen op straat, dat maakt het erger, dat maakt je een menneke dat huilt, en daar is geen enkele waardigheid in.
Op school was er Charlotte.
Charlotte was klein. Charlotte had twee donkere vlechten. Charlotte was zoals de tekeningen die kinderen van kinderen maken — ronde ogen, rode wangen, een mond die altijd half open stond omdat ze altijd op het punt stond iets te zeggen.
— Wilt gij mijn beste vriendin zijn?
Ze vroeg het op de tweede dag. Of misschien de derde. Ze vroeg het alsof ze vroeg of ik een koekje wilde.
— Voorwa?
— Omda.
Dat was genoeg. Charlotte gaf redenen die geen redenen waren, en op een of andere manier werkten ze beter dan echte redenen. Charlotte trok mij door de schooldagen. Ze maakte grapjes die niemand anders grappig vond. Ze tekende op mijn schrift als de juf het niet zag. Ze noemde mij nooit menneke. Ze noemde mij bij mijn naam, en mijn naam klonk anders uit haar mond — vriendelijker, alsof het iets was om te bewaren.
Ze haatte onrechtvaardigheid. Dat is een zwaar woord voor een kind van acht, maar het is het enige woord dat past. Charlotte kon het niet verdragen als iemand iemand anders pijn deed. Ze werd dan klein en hard tegelijk, haar mond werd een streep, en ze zei:
— Da’s ni eerlijk.
En ze meende het.
Charlotte kwam uit een normaal gezin.
Ik wist toen nog niet wat dat betekende, normaal. Ik dacht dat alle gezinnen waren zoals het mijne — stemmen in de keuken, dingen die braken, een moeder die zuchtte wanneer je in het ziekenhuis lag. Maar Charlotte had drie zussen en een vader die thuiskwam om zes uur en een moeder die vroeg hoe haar dag was geweest. De eerste keer dat ik bij haar mocht eten begreep ik dat het woord normaal voor andere mensen iets anders betekende dan voor mij.
— Wilt ge blijven eten?
— Ik moet da aan mijn mama vragen.
— Belt haar maar efkes.
Ik belde vanuit hun gang. Mijn moeder zei ja zonder te vragen waar ik was. Mijn moeder zei ja op de toon die betekende: prima, dan ben je weg.
Aan tafel zaten we met zessen. Vader, moeder, drie dochters, ik. Ze hielden elkaars hand vast voor het eten. Ze baden iets kort, niet lang, niet het hele Onze Vader maar iets kleins, en toen begonnen ze.
Er stond broccoli op tafel.
Ik had nog nooit broccoli gezien. Bij ons thuis kwam groente uit een blik. Doperwten, worteltjes, hoekige blokjes in een gele saus. Maar dit — dit waren kleine boompjes. Groen. Echte boompjes op mijn bord, gestoomd, met een klontje boter erop dat smolt en blonk.
— Wa’s da?
Charlotte keek me aan.
— Broccoli?
— Kent gij da ni?
Ik schudde mijn hoofd. Haar moeder glimlachte.
— Proeft maar eens.
Ik proefde. Ik proefde een hele wereld die ik niet kende. Een wereld waarin groente niet uit blik kwam. Een wereld waarin vissen — een andere keer, later — als roze plakjes op een bord verschenen en zalm heetten. Bij ons thuis aten we vis die er vissig uitzag, met een kop en een staart, of helemaal geen vis. Zalm was een woord uit een ander land.
Ik at alles op. Ik at mijn bord leeg en ik zei dankuwel en ik voelde dat ik daar zat, aan die tafel, in dat warme huis, in dat andere leven, en iets in mij werd ook warm.
Sindsdien werd ik bij Charlotte thuis iemand anders. Ik lachte meer. Ik praatte meer. Ik at dingen die ik thuis niet at, en ik werd een meisje dat broccoli lekker vond en dat bad voor het eten en dat vertelde over haar dag alsof het een dag was om over te vertellen. De kameleon. Ik wist toen nog niet dat ik er een was, maar ik was al begonnen met oefenen, in dat huis, aan die tafel. Ik werd wie ik moest zijn om erbij te horen. En elke keer dat ik terugliep naar het duivenkot, ’s avonds, moest ik die andere ik achterlaten bij de deur, als een huid die ik niet meer aan mocht.
Dat blijft. Dat is iets wat blijft. Je wordt niet zomaar een kameleon. Je wordt er een, één huis tegelijk, één eettafel tegelijk, en als je groot bent weet je niet meer welke kleur van jou is.
Op de speelplaats speelden Charlotte en ik nooit met poppen. Poppen waren stil en slap en ze deden wat je zei. Wij waren avonturiers. We waren onderzoekers. We zochten schatten in de zandbak. We klommen in de kastanjeboom achter het schoolhek. We maakten een geheime club met een geheime handdruk — Charlotte had hem bedacht, drie vingers, twee tikken, één knipoog — en we zwoeren elkaar eeuwige trouw met een druppel spuug op een papiertje dat we begroeven onder een losse tegel.
Maar we waren ook iets anders. We waren rechters.
Op die speelplaats was alles oneerlijk. Alles. En we zagen het allemaal, Charlotte en ik, met die scherpe ogen van kinderen die zelf niet bij de winnaars horen. We hoorden niet bij de meisjes met de Burlington-kousen en de Millet-jassen, de kinderen die elke maandag nieuwe dingen droegen en die elkaar herkenden aan labels die ik niet kon lezen. De snobs. Hun ouders werkten bij banken, of in advocatenkantoren, of hadden een zaak in het centrum. Ze kwamen naar school in auto’s zoals die van onze directeur.
Wij kwamen te voet. Wij droegen kleren die onze zussen hadden gedragen, of die van de markt kwamen, of die te groot of te klein waren maar het meest te klein waren, want ik was dik geworden. De snobs wisten dat. Snobs weten alles. Ze ruiken het aan je. Ze weten wie ze wel en niet kunnen aanraken.
Ze pestten. Niet ons, meestal. Ons lieten ze met rust, omdat Charlotte en ik samen waren en samen een gezicht hadden dat zei: kom maar op. Maar andere kinderen — de stillere, de kleinere, de kinderen die niet goed wisten waar hun handen moesten zijn — die pestten ze. En wij zagen het.
— Da’s ni eerlijk, zei Charlotte dan.
En dan gingen wij er heen.
Mijn jongste broer zat op dezelfde school. Twee klassen hoger. Hij kreeg suikerziekte toen hij elf was. Diabetes. Een woord dat volwassenen zachtjes uitspraken, alsof het iets was om bang voor te zijn. Hij moest op een bijzonder dieet en spoot zichzelf prikjes met een naald.
— Suikermanneke!
Dat riepen ze. Op de speelplaats, rond de zandbak, in de rij voor de eetzaal.
— Suikermanneke! Suikermanneke!
En ze duwden hem. Eerst zachtjes. Een schouder. Dan harder. Een hand tegen zijn rug, een voetje tussen de zijne, een stoot tegen de boekentas. En mijn broer — mijn zachte, stille broer, die van vogels hield zoals mijn vader van vogels hield, die geen stem verhief omdat stemmen verhogen in ons huis nooit iets goeds was uitgelopen — mijn broer zei niets. Hij liet het gebeuren. Hij boog zijn hoofd en hij liet het over zich heen gaan zoals regen.
Ik zag het. Steeds weer. En elke keer dat ik het zag, werd er iets kleiner in mij en iets anders groter.
Op een dag — ik weet niet welke dag, ik weet alleen dat het koud was, dat we onze winterjassen droegen, dat de adem van de kinderen wit was in de lucht — duwden ze hem. Hij viel. Zijn boekentas schoot open en zijn boeken gleden over de natte tegels.
— Suikermanneke is gevallen! Suikermanneke valt om!
Ze lachten. Ze stonden erbij en ze lachten, een hele kring van hen, en mijn broer zat op de grond en hij zocht naar zijn boeken en hij huilde niet maar ik zag zijn schouders, ik zag zijn schouders schokken één keer, heel kort, en dat was voor mij het moment dat alles veranderde.
Ik weet niet hoe ik daar kwam. Ik herinner me geen stappen. Ik herinner me alleen mijn vuist. Mijn vuist die wist wat ze moest doen voor ik het wist.
PATS.
Op een neus. De grootste. Degene die het luidst lachte. Ik sloeg haar recht op haar neus en het bloed kwam onmiddellijk, warm en rood over haar mond, over haar kin, op haar dure, witte kabeltrui.
Stilte.
De hele speelplaats, stil.
— Gij, begon ze. Gij —
Ze raakte haar neus aan en zag het bloed op haar vingers en begon te janken. Niet het janken van pijn. Het janken van een kind dat niet gewend is dat er dingen op haar slaan.
Ik zei niets. Ik raapte mijn broers boekentas op. Ik hielp hem overeind. Ik zei geen woord, want woorden waren niet nodig, want mijn vuist had alles al gezegd wat er te zeggen viel.
Charlotte stond bij het schoolhek. Ze knikte mij toe. Heel kort. Heel ernstig.
— Da was ni eerlijk, zei ze.
Ik begreep dat ze het niet over mijn vuist had.
Ik moest naar de directeur. Ik moest excuses aanbieden. Ik mocht een week niet naar de speelplaats, en ik moest in de klas blijven tijdens de pauzes. Mijn vader werd opgebeld en zuchtte aan de telefoon en zei: ik zal haar direct komen halen.
Mijn moeder zei niets. Die avond, in de keuken, toen ze even weg was, legde mijn vader zijn hand op mijn schouder. Heel kort. Hij drukte, één keer, en ik wist dat hij het goed vond. Niet dat ik geslagen had. Dat ik voor mijn broer was opgekomen.
Zijn schouderdruk was warm die avond. Warmer dan anders.
Jaren later zou ik begrijpen dat ik op die speelplaats iets leerde wat ik nooit meer zou afleren. Dat sommige mensen op niets anders reageren dan op een harde klap. Dat rechtvaardigheid soms een bloedneus is. Dat het niet netjes is, dat het niet mooi is, dat het je geen goed meisje maakt.
Maar ik was ook nooit een goed meisje geweest. Ik was een menneke, volgens de slagersvrouw. Ik was een suikermannekes-zus, volgens de snobs. Ik was alles wat ze van me maakten, behalve wie ik was.
Charlotte wist wie ik was. Dat was genoeg. Eén mens die weet wie je bent, is genoeg om je door een heel jaar schooldagen te dragen.
Charlotte droeg mij. En ik droeg mijn broer. En zo ging het.
Reus
Ze verweten elkaar dingen die ik niet mocht horen, en toch mocht ik ze horen, want de muren in het duivenkot waren dun en hun stemmen waren niet dun. Mijn moeder begon. Dat deed ze altijd. Ze zei iets scherps en dan werd mijn vader groot en dan werd zij groter en dan waren er geen woorden meer, alleen een stormvloed van woorden. Ik lag in mijn bed en ik telde. Eerst haar stem. Dan de zijne. Dan weer de hare, die hoger werd, schel. Ik legde mijn kussen over mijn oren en dan mijn dekbed over het kussen en dan mijn armen over het dekbed. Ik weet niet hoe geluid dat doet. Hoe het door drie dingen heen dringt. Maar het kan. De GVR lag naast me op bed. Ik had tot bladzijde drieënveertig gelezen. Sofie was net uit haar weeshuis weggenomen door de reus, door het raam, in zijn grote hand, en ik vond dat ze geluk had. Zij wist dat toen nog niet. Maar ik wel.
En toen — ik weet niet hoe — sliep ik.
Of misschien sliep ik niet. Bij de GVR weet je zulke dingen niet.
Er was wind. Niet buiten. Binnen.
Mijn gordijn ging bol staan alsof iemand erin blies, maar dan traag, heel traag, zoals je blaast als je niet wilt dat iemand je hoort. Ik deed mijn ogen open. Of misschien waren ze al open.
Er stond iets voor mijn raam.
Iets groots. Zo groot dat ik niet eens zijn hele gezicht kon zien, alleen één oog, en het oog was blauw en rustig en het keek naar mij alsof het mij al jaren kende. De rest van hem stond buiten, buiten het duivenkot, buiten alles. Zijn oren waren zo groot als koffers. Dat weet ik omdat mijn moeder een koffer onder haar bed had en die was bruin en groot, en zijn oren waren precies zo. Behalve dan dat ze bewogen.
Hij legde zijn vinger op zijn mond.
Ssssst.
Een zacht geluid. Maar het geluid blies mijn haar naar achteren en mijn dekbed ging omhoog en de bladzijden van de GVR sloegen vanzelf om, tot aan bladzijde drieënveertig, waar Sofie sliep, en daarna nog een paar bladzijden verder, tot voorbij waar ik was geweest.
Hij stak zijn hand door het raam.
Het raam was te klein. Veel te klein. Maar zijn hand kwam er toch door, op de manier waarop dingen in dromen door dingen heen gaan die ze niet aankunnen. Zijn vingers waren zo lang als mijn arm en zijn duim had een nagel met een barst erin. Een echte barst. Ik dacht: die nagel heeft iets meegemaakt.
— Gij zijt Catteke, zei hij.
Zijn stem was rommelig. Alsof hij zijn mond vol snoskommer had.
— Ik ben Sofie, zei ik. Want dat leek mij logisch.
— Nooit nooit nooit, zei de reus. Sofie is in ’t boekelijk boek. Gij zijt hier hiernaast. Gij zijt een anderlings ander meiske. Een echt-echtje.
Ik keek naar mijn bed en zag de GVR openliggen op bladzijde drieënveertig. Sofie lag er nog. Ze sliep. Ze zag er moe uit.
— En waar gaan we naartoe? vroeg ik.
— Reuzelland, zei hij. Niet Reuzenland. Reuzelland. Met een ellekes in ’t midden.
— Waar is dat?
— Daar-daarzo.
Hij wees.
Maar hij wees nergens naar. Hij wees gewoon in de lucht, naar een punt tussen de maan en de suikerfabriek.
Ik stapte in zijn hand. Zomaar. Zonder jas, zonder schoenen, in het nachthemd met de kleine beertjes erop dat van mijn zus was geweest voordat het van mij werd. Zijn hand was warm. Warmer dan mijn eigen bed. En ik dacht: dit is hoe reuzehanden voelen. Ik wist niet dat handen zo konden aanvoelen.
Hij trok zijn hand terug door het raam en plots was ik buiten. Gewoon buiten. Zonder dat we door de voordeur waren gegaan, zonder dat de lift had gepiept, zonder dat iemand het had gemerkt. Tienen lag onder ons. De suikerfabriek dampte in het donker. De rook ging recht omhoog, alsof zelfs de wind niet wist wat ermee te doen. Daarboven, in de hand van de GVR, rook alles naar suiker. Ik wist niet dat suiker een geur had. Maar daarboven wel.
— Dadde daar, dat is waar uwen papaatje zijn nachten doorsleurvoert, zei de reus.
— Dat weet ik, zei ik.
— Ikke weet dat gij dat weet. Maar ikke zegt ’t er toch bij, voor ’t gezellige van de zaak.
Hij wees naar Het Hoekske. Heel klein, van boven. Niks meer dan een dak.
— En daar-daar gaat gij voor ’t snoepelsnoep.
— Hoe weet gij dat?
— Iederlijk weet dat. Wij reuzeliken luistervangen aan de daken. Wij horelen alles wat kindjes doen als de grootmensen nikske zien.
Ik vond dat een goed antwoord. Dat is het beste aan reuzen. Ze geven goeie antwoorden.
We vlogen verder. Over het huis van Charlotte, op de eerste verdieping, met licht achter het raam. Ik zwaaide. Ook al sliep ze waarschijnlijk. Ook al zag ze mij niet. Ik zwaaide omdat het moest. Omdat ze anders alleen zou zijn. Charlotte alleen, dat kon niet. Dat was tegen de regels.
— Zij mag mee, zei de reus.
Hij boog en tikte met zijn andere vinger tegen haar raam. Tik tik.
En plots zat Charlotte naast mij in zijn hand. In haar pyjama. Met haar vlechten los, wat ik nog nooit had gezien. Ze keek om zich heen en ze zei:
— Da’s ni eerlijk.
— Wa’s ni eerlijk?
— Da gij dit zonder mij ging doen.
Ik zei sorry. Zij zei het geeft niet. Zo ging dat bij ons.
Reuzenland was niet zoals in het boek. Dat wist ik niet omdat ik tot bladzijde drieënveertig geraakt was. Nee, ik had gezien wat er op de tekeningen stond. In het boek is Reuzenland droog en leeg en de reuzen zijn lelijk en ze eten kinderen. Maar dit Reuzenland zag eruit zoals de tuin achter het appartementsgebouw waar we niet mochten komen. Groen. Kortgemaaid gras. En daar omheen wasdraden, waar dingen aanhingen die niet helemaal droog waren.
Maar de reuzen waren er wel.
Ze stonden in een kring. Allemaal groter dan de GVR. Ze hadden namen, maar ik wist ze niet meer precies. Een heette Bloedbottelaar. Dat weet ik zeker, want dat was een naam die je niet vergeet. De rest was vergeten, of ik had ze nog niet gelezen.
— Dattie daar is Bloedbottelaar, zei de reus. Hij rukelt naar kaka en naar oude paardjes. Hij eet mensjes voor ’t ontbijtelen.
— En die andere?
— Die-die weet gij uw eigen wel.
En ik wist het zelf. Ik keek naar het midden van de kring en daar stond iemand. Groter dan alle reuzen. Met een kapsel dat ik kende. En een rok die ik kende. En ogen die ik kende, want ik had ze mijn hele leven ontweken.
Mijn moeder.
Als reus.
Charlotte greep mijn hand.
— Da’s uw mama.
— Ik weet het.
— Zij is hier ook een reus.
— Ja, zei ik. Zij is overal een reus.
Mijn moeder-reus zei iets tegen de andere reuzen. Haar stem was hoog. Nog hoger dan ’s avonds. Zo hoog dat de bladeren van de bomen trilden. De reuzen knikten. Ze knikten alsof ze bang waren om niet te knikken.
Aan de rand van de kring, op een stoel, zat een heel kleine reus. Zo klein dat hij bijna gewoon was. Hij keek niet naar mijn moeder-reus. Hij keek naar iets achter de muur. Achter de tuin. Achter alles.
— Dattie daar, dat is uw papaatje, zei de reus.
— Da weet ‘k.
— Hij is hier ni grootelijk groot.
— Nee. Hij is hier ni groot.
Ik voelde iets in mij. Iets als een tak die breekt in het bos, een droge tak die niemand meer nodig heeft.
De GVR zette ons neer op een paddenstoel. Hij ging naast ons op zijn knieën en hij haalde iets uit zijn zak. Een pot. Een gewone pot, zoals mijn moeder gebruikte voor confituur, maar dan van glas dat heel speciaal was. Binnenin bewoog iets.
— Wa’s da? vroeg Charlotte.
— Een droomselke, zei de reus.
— Voor wie?
— Voor haarderkes.
Hij wees naar mij.
— Wa voor droomselke?
De reus keek mij aan.
— Een droomselke waarin iemandlijk u ziet, zei hij. Echt-echt ziet. Met uwen binnenkant en al.
Ik zei niets. Charlotte zei ook niets. Ze hield mijn hand nog vast.
— Moet ik hem nu opendoen?
— Nooit nooit. Nog ni.
— Wanneer dan wel?
— Dat weet ikke ni. Gij zult het wetelijk weten. Uw buikske zal het u influistervingen.
Hij deed de pot terug in zijn zak. Ik vond dat niet leuk. Ik wilde hem nu. Ik was negen. Ik had niet zoveel tijd.
— Ma … —, begon ik.
KLIK.
Niet het geluid van een reuzendeur. Het geluid van mijn eigen deur. De namaakhouten deur van het duivenkot.
— Jezus Maria, kattekop. Zijt gij nog ni op?
Mijn moeder. Niet de reus. Niet de hoge. Gewoon mijn moeder, in haar ochtendjas, met haar haar nog plat van het slapen. Zij was weer klein. Zij was weer van deze wereld.
— ’t Is al acht uur. Gij moet nu naar ’t college.
Ik ging rechtop zitten. Mijn haar stond alle kanten op. De GVR lag naast me op het bed, open op bladzijde drieënveertig. Sofie sliep nog steeds.
— Ik —
— Geen ik. Aankleden. Nu!
Ze ging weg. De deur bleef open. Ik hoorde haar in de keuken. Ik hoorde een kop op een tafel. Ik hoorde niets wat op een reus leek.
Ik keek naar mijn hand. In mijn hand zat niets. Natuurlijk zat daar niets. Dromen laten niets achter, dat weet iedereen.
Maar op mijn kussen, precies waar mijn oor had gelegen, was een natte plek. Alsof er iets op had gestaan. Een pot, misschien. Heel even.
Ik veegde het weg. Ik trok mijn kleren aan. Ik liep naar de keuken. Ik zei niets over Reuzenland, want dingen uit Reuzenland zeg je niet in deze wereld.
Maar ik wist iets, nu.
Ik wist dat er ergens een pot stond met mijn naam erop.
En ik wist dat ik hem op een dag zou opendoen.
Acht
Hij hoort bij nummer 8. Ik bij nummer 13.
Vijf cijfers verschil. Vijf jaar bloeide en groeide mijn kalverliefde.
Zijn naam was Philippe. Twee lettergrepen die niet bij de taal van het kleine suikerstadje pasten. Bij ons heetten jongens Kris of Dirk of Bart. Eén lettergreep, korte broek, schaafwonde op de knie. Maar hij heette Philippe. Frans. Zacht. Met een h die je moest uitspreken zoals een geheim.
Zijn vader was bankdirecteur van de CERA. Want toen bestond de CERA nog. Ik wist niet wat dat woord betekende, maar ik wist wat het deed. Het maakte muren wit. Het zette boeken recht. Het kocht meubels uit de IKEA-catalogus.
Ik was zeven.
Ik zie hem voor het eerst in de gang. De gemeenschappelijke gang van het gebouw, tussen de twee liften, op de eerste verdieping. Ik kom thuis van school. Hij komt uit zijn deur. Nummer 8.
Hij heeft blonde haren. Niet vaal blond zoals andere kinderen. Echt blond. Goud. Het blond dat in het licht beweegt, ook als er geen licht is. En zijn huid is bruin met kleine sproetjes rond zijn neus. De zomer was in zijn lijf blijven hangen toen het september werd.
Hij kijkt mij aan. Hij zegt niets. Hij knikt.
Een knikje. Eén knikje. Dat is alles.
En ik sta daar in de gang met mijn boekentas en mijn rode jongenskop, want mijn afgeknipte haar was nog lang niet teruggegroeid, en ik denk: hij keek naar mij. Hij. Naar mij.
Vanaf dat kleine tijdscheurtje is het genoeg om jaren van te leven.
Hij heeft twee oudere zussen. Dat is waarom hij anders is. Bij ons in de buurt zijn jongens jongens — schreeuwen, vechten, stokken die zwaarden zijn, He-Man en de Power Rangers. Maar Philippe is van zussen gemaakt. Hij praat zacht. Hij loopt zacht. Hij heeft handen die niks kapot willen maken.
In Jolie Candy keek ik elke zondag naar Terence, de prins met het lange haar en de zachte ogen. In The Neverending Story was er Atreyu, op zijn witte paard, die door het Moeras van het Verdriet liep en niet wegzonk omdat hij zich herinnerde wie hij was.
Philippe was van die wereld. Niet van de onze.
Ik bouwde hem op uit alles wat ik had: een gezicht uit de gang, een kamer die ik één keer mocht zien, een geur die in de lift bleef hangen — zeep, denk ik, of badschuim die zijn moeder koos — en ik maakte er een ridder van. Ik weet nu dat ik dat deed. Toen wist ik het niet. Toen was hij gewoon Philippe en Philippe was gewoon mooi.
Zijn kamer.
Ik mocht er een keer in. Eén keer. Misschien spelen we iets, misschien is er een verjaardag, ik weet het niet meer — maar ik sta in zijn kamer en ik vergeet te ademen.
De muren zijn wit. Echt wit, niet ons soort wit dat geel werd van de jaren. Er is een bruine harmonicadeur en een bruin bureau dat een jongensbureau is, niet zoals die van zijn zussen. Er staan boeken op rij, ruggetjes naar buiten, geordend op grootte of kleur, ik weet niet welke orde erin zat maar er zat orde in. Er hangt een poster aan de muur. Een fiets. Een bed met een dekbedovertrek dat past bij de gordijnen.
IKEA, weet ik nu. Maar in 13 bestond IKEA niet, en zelfs als IKEA zou bestaan, paste IKEA niet bij het duivenkot. Want bij ons stonden de kasten niet, het behang was geel met bruine vierkanten, en het bidet hadden we zes jaar lang als wasmand gebruikt.
Ik sta in zijn kamer en wist: zo wonen normale mensen.
Op de speelplaats keek ik. In de gang keek ik. Uit het raam keek ik, want soms reed hij op zijn fiets door onze straat, en als ik dat hoorde — TSJIK TSJIK TSJIK, anders dan onze ketting, soepeler, beter gesmeerd — dan rende ik naar het raam. Hij was er een seconde, in de kriebel van mijn maag en dan was hij weg.
Vertraagde alles. Werd goudkleurig. De rest van de straat viel weg.
Zes jaar lang.
Eén keer knuffelde hij mij.
Ik weet niet meer waarom. Misschien was ik gevallen. Misschien was er iets — een ruzie op straat, geschreeuw, ik die huilde — en stond hij toevallig dichtbij. Misschien deed hij het omdat zijn zussen hem dat hadden geleerd, dat je iemand vasthoudt als iemand verdriet heeft, ook al ken je die iemand niet zo goed.
Hij sloeg zijn armen om mij heen.
Twee seconden. Misschien drie.
Ik hoorde mijn eigen hart in mijn oren. BOM BOM BOM. Zo hard dat ik dacht dat hij het kon horen, en ik schaamde me dat het zo hard was, en ik wilde dat het stopte zodat hij niet wist wat er met mij gebeurde, en ik wilde tegelijk dat het nooit ophield. Dat kan, in een kinderlijf. Alle dingen tegelijk willen die niet samengaan.
Hij rook naar zeep. Echte zeep. Niet onze zeep — Sunlight, geel blok in een geel doosje — maar iets anders. Iets waarvan ik dacht: zo ruiken jongens die geliefd worden.
Toen liet hij los.
Hij zei iets. Ik weet niet wat. Iets als gaat het of zeg het maar of tot straks, een gewone zin voor hem. Een magische zin voor mij.
Hij liep weg. Ik bleef staan. Want ik was betoverd.
Ik heb die omhelzing twintig jaar bewaard. Veertig misschien. Ik denk dat ik hem nog steeds heb.
Ik heb het nooit verteld.
Niet aan hem. Niet aan Charlotte. Niet aan mijn zus. Niemand. Vijf jaar lang, of zes, ik weet het niet meer precies — van zeven tot twaalf, daar ergens — logeerde Philippe in mijn maag. Net onder mijn ribben.
Hij was nummer 8 en ik was nummer 13. En 13 spreekt niet tegen 8. 13 staat in de gang en kijkt naar 8 en knikt terug als 8 knikt en zegt verder niets. 13 weet haar plek.
Toen werden we groter.
Hij groeide naar boven. Ik groeide naar buiten. Hij werd langer, smaller, gouder. Ik werd dikker. Want ik at mijn emoties op. Nu spande mijn rokje ook rond mijn buik en mijn haar was nog aan het terugkomen van het asfalt.
En Philippe begon te kijken.
Niet naar mij. Naar anderen. Naar de meisjes met de Burlington-kousen en de Millet-jassen. De meisjes met dunne polsen en steil haar dat netjes hing zoals haar hoort te hangen. De meisjes die wisten hoe meisjes moesten zijn.
Ik zag het.
Ik zag het in de gang. Ik zag het in de lift. Ik zag het op straat, waar hij niet meer naar mij keek maar naar haar, en zij keek terug, en ik stond ertussen met mijn lijf dat te veel was van alles.
En ik dacht — niet in woorden, maar in iets dieper dan woorden — zo werkt het dus.
Ik sta voor de spiegel in onze badkamer. Die badkamer die ik mooi vond toen we in 13 gingen wonen. Het bad dat glom in het licht, die kraan met warm water, dat hele rijke leven.
Ik kijk.
Ik zie geen meisje.
Ik zie Frankenstein. Ik zie iets samengesteld uit verkeerde stukken. Wangen die opgeblazen zijn door het eten van emoties. Een lichaam dat te veel ruimte neemt. Haar dat niet meer rood is, maar asblond en wild en niet steil wil zijn. Ogen die te klein zijn voor het gezicht eromheen.
Ik denk: hij gaat mij nooit kiezen.
En daarna, zachter: niemand gaat mij ooit kiezen.
Ik ben elf, misschien twaalf. En ik leer iets wat ik niet meer zal afleren.
Ik leer dat liefde iets is wat andere meisjes krijgen.
Ik leer dat ik moet kijken vanuit een raam. Dat ik mag kiezen wat niet voor mij kiest. Dat ik dankbaar moet zijn voor één omhelzing van twee seconden, en dat ik daarvan moet leven, jarenlang, want een tweede komt er niet.
In ons huis bestond geen liefde. Niet zoals in de huizen van andere mama’s en papa’s. Mijn moeder zorgde, maar ze hield niet vast. Mijn vader hield, maar hij was nooit thuis. Niemand zei: ik kies jou. Niemand zei: gij zijt goed zoals gij zijt.
Dus toen Philippe niet voor mij koos, dacht ik: dat is logisch. Dat is hoe het hoort.
Ik wist niet beter.
Ik dacht dat liefde dit was: één moment dat je bewaart, en daarna wachten.
Het laatste wat ik mij van hem herinner is zijn rug. Hij is op zijn fiets, hij rijdt onze straat uit, en hij kijkt niet om.
TSJIK TSJIK TSJIK TSJIK.
Goonies never say die, hadden we gezworen. Maar Philippe was geen Goonie. Philippe was van een ander verhaal, een glanzender verhaal, een verhaal waarin ik geen rol had.
Ik was twaalf.
En ik droeg hem met mij mee, in stilte, naar elke jongen die daarna kwam. Naar elke man. Naar elke kamer waar ik binnenkwam en dacht: mag ik hier wel zijn? Naar elk gesprek waarin ik wachtte op de omhelzing die niet meer kwam.
De lat lag te hoog. Maar ik wist toen helemaal niet dat het een lat was.
Ik dacht dat het de hemel was.