gedacht

Er bestaan mensen bij wie je veel voelt. Mensen naar wie je verlangt, die je aantrekkelijk vindt of met wie je een geschiedenis deelt. En dan bestaan er mensen bij wie je “aanwezig” bent.

Werkelijk aanwezig.

Bij wie je niet voortdurend “performt”. Bij wie de tijd lijkt te vertragen. Bij wie je niet hoeft te zoeken naar het volgende onderwerp, omdat zelfs de stiltes iets bevatten. Ik denk dat hij voor mij zo iemand is geweest. Zij het slechts kortstondig.

Misschien was dat ook wat onze verbinding zo verwarrend maakte. Ze paste nergens propertjes in. Ze was groter dan aantrekkingskracht, maar te onveilig voor liefde. Ze voelde soms bijna telepathisch: niet omdat wij elkaars gedachten konden lezen, maar omdat er dingen tussen ons gebeurden die zich moeilijk lieten uitleggen. Een blik. Een verschuiving in de ruimte. Het vreemde besef dat de ander aanwezig was, zelfs wanneer hij er niet was.

Ik heb lang gedacht dat een echte verbinding uiteindelijk wel tot iets moest leiden. Dat twee mensen die elkaar zo sterk aanvoelen vanzelf een weg naar elkaar zouden vinden. Inmiddels begrijp ik dat echt niet hetzelfde betekent als leefbaar. Dat iets waar kan zijn en toch geen toekomst kan dragen.

Hij bleef komen en verdwijnen, komen en verdwijnen.

Misschien deed hij dat niet om mij pijn te doen. Misschien was de verdwijntruc de enige manier die hij kende om zichzelf te beschermen. Misschien voelde nabijheid voor hem niet alleen warm, maar ook bedreigend. Ik weet het niet. Ik wil zijn verhaal niet voor hem invullen! (maar stiekem doe ik dat toch …)

Wat ik wél weet, is wat het met mij deed.

Elke keer dat hij terugkwam, kwam ook mijn aanwezigheid een beetje terug. (maar ze was nooit meer intact na die eerste brutale afwijzing en werd waakzaam, zeer waakzaam) Dat deel van mij dat bij hem helder, wakker en open was. En wanneer hij weer verdween, nam hij niet alleen zichzelf mee. Hij stal ook de aanwezige versie van mij.

Dat was misschien het pijnlijkste: niet alleen het gemis en de rouw, maar ook missen wie ik bij hem was.

Er wordt vaak gezegd dat je iemand moet loslaten wanneer hij niet goed voor je is. Dat klinkt verstandig. Bijna eenvoudig. Je maakt een lijst van wat er misging, herinnert jezelf aan wat je verdient en sluit de deur.

Maar een hart verwerkt niet op commando.

Weten dat iemand je geen veiligheid kan bieden, verdelgt de liefde niet. Begrijpen dat een verbinding je beschadigt, wist de tederheid niet. Je kunt besluiten iemand niet meer toe te laten en hem toch graag blijven zien. Het betekent dat grenzen en gevoelens niet hetzelfde werk doen.

Mijn grens zegt dat ik niet aanwezig kan zijn tussen verschijnen en verdwijnen.

Mijn gevoel zegt dat wat er tussen ons was, echt is geweest.

Die twee waarheden moeten dan maar naast elkaar bestaan, maar vrienden worden ze nooit!

Ik moet je niet overtuigen van wat ik voel(de). Ik wil niet bewijzen dat onze gesprekken, onze nabijheid of dat onverklaarbare herkennen betekenis hadden. Misschien heb jij het anders beleefd. Misschien heb je het weggestopt omdat je niet wist wat je ermee moest. Misschien was het voor jou minder groot. Ook dat moet ik kunnen verdragen en vooral … aanvaarden.

Maar ik zal mijn eigen ervaring niet meer verkleinen om zijn afwezigheid begrijpelijker te maken.

Ik heb hem graag gezien.

Niet alleen wanneer hij dichtbij was, maar ook in alles wat hij voor anderen verborgen hield. In de mens achter de afstand. In het kind dat misschien nooit geleerd heeft dat liefde kan blijven wanneer het niet perfect is, niet sterk en onzeker.

Iemand die weinig liefde heeft gekend, kan wel degelijk liefde geven. Misschien zelfs heel veel. Maar liefde ontvangen vraagt iets anders. Het vraagt vertrouwen en veiligheid. Het vraagt blijven wanneer alles in jou zegt dat je moet vluchten. En ik denk dat daar de vracht zat die wij niet konden dragen.

Ik had gehoopt dat mijn liefde hem zou tonen dat de grote verdwijntruc onnodig was.

Nu weet ik dat liefde niemand kan genezen die zelf niet durft blijven.

Ik liet hem los, omdat er geen andere keuze was.

Ik moest je loslaten. Niet omdat je niets voor mij betekende. Ik wandelde weg, omdat ik niet langer wilde wachten op de volgende terugkeer om me weer even aanwezig te voelen. Ik wilde leren aanwezig zijn in mijn eigen leven, ook zonder jou.

Misschien zal een deel van mij altijd naar hem blijven verlangen. Niet naar wat er feitelijk tussen ons bestond, maar naar die zeldzame staat van aanwezigheid. Naar het gevoel dat iemand mij zag op een plaats waar ik mezelf nog niet volledig kon zien.

Maar wat hij in mij wakker maakte, hoort niet bij hem.

Ik hoef jou niet terug te krijgen om dat deel van mezelf te behouden.

Is dat uiteindelijk wat loslaten werkelijk betekent: niet ontkennen dat de verbinding bestond, maar ophouden haar nodig te hebben om jezelf compleet te voelen.

Ik wens hem toe dat hij ooit ontdekt dat liefde wél blijft, voedt, doet groeien en tegelijk een proces is dat soms pijn doet om die groei mogelijk te maken. Dat ze hem dwingt naar binnen te kijken en dat labyrint in te gaan, ook al schreeuwt zijn hoofd; NIET DOEN!

En ik wens mezelf toe dat ik voortaan kies voor iemand die mij ook kiest. Keer op keer, opnieuw en opnieuw en overal.

Foto: Steven Hendrix

Achterin

Ik bekijk de foto’s zoals van iemand die je niet kent: van een afstand, met de handen plat op tafel. Op één daarvan sta ik aan de zijkant, half in het licht. Ik draag wat ik heb gekozen om te dragen. Ik glimlach zoals ik heb besloten te glimlachen. En toch zie ik iemand die ik niet helemaal herken. Een vrouw die er ouder uitziet dan ze is, die kleren draagt die haar verbergen, die staat alsof ze zich verontschuldigt voor de ruimte die ze inneemt. Iemand die niet gezien wilde worden en aan dat verlangen heeft toegegeven.

Achterin. Altijd achterin.

Het is een vreemde plek. Ik heb het ding gemaakt, ik liet het los en daarna wil ik verdwijnen.

Er bestaat een type mens dat tegelijk hunkert naar verbinding en terugdeinst voor de blik. INFJ (MBTI – persoonlijheidstypen) noemen ze het in zekere kringen, maar de naam doet er niet toe. Het gaat om de tegenstelling. Je wil gezien worden zonder de prijs van het zichtbaar zijn. Je wil dat je werk in de wereld staat zonder zelf in de wereld te staan. Het is een onmogelijke wens, en wie haar koestert leert vroeg of laat dat erkenning een transactie is met regels die zij nooit heeft willen leren.

Want zo werkt het. Wie gezien wil worden, moet willen worden gezien. Wie zich aandient, krijgt antwoord. Wie wacht, wacht.

Op die avond liepen er mensen langs me die ooit aan mijn tafel zaten. Mensen die ik iets heb geleerd. Ze keken me niet aan. Ze zeiden niets. Niet uit boosaardigheid, denk ik.

Geen klacht. Het was de leerzaamste ervaring van die hele week. Beter dan welk applaus ook.

Want dit is wat ik intussen weet, en waaraan de herinnering mij ontbrak: erkenning van buitenaf is altijd een val. Niet omdat ze niet bestaat (ze komt soms) maar omdat ze nooit komt op de manier waarop je ze nodig hebt. Ze komt te laat, of van de verkeerde, of in een vorm die niet past op de wond die ze had moeten helen. En zelfs wanneer ze komt, gebeurt het volgende: ze is op. Binnen een uur. Binnen een dag. En je staat weer achterin, met diezelfde honger.

Deels vertelt Schijnwerpers dat verhaal. Vrienden lopen weg wanneer je bron opdroogt. Geliefden ook. Het stuk gaat daarover. Het gaat over wat overblijft van een mens wanneer zij niemand meer iets te bieden heeft.

Wat overblijft, blijkt, is de mens zelf. En die is genoeg.

Ik ben teruggegaan naar de foto’s. De vrouw daarop ben ik niet, én … zij is mij volledig. Zij wilde niet gezien worden. Zij staat aan de rand van het licht omdat zij daar hoort. Zij is, zou ik nu durven zeggen, precies op haar plek.

Achterin. Want Schijnwerpers werpen tenslotte enkel schijn.

Ze stellen de vraag op een toon die het antwoord al heeft weggewuifd. Waarom ben je toch zo boos? — alsof woede een gril is, een vlek, iets wat een vrouw eruit kan ademen, eruit kan praten, eruit kan mediteren. Alsof het geen weefsel is.

Goed dan. Ik zal het uitleggen. Hoewel uitleggen op zichzelf al de eerste vernedering is.

Hoeveel keer er op straat naar mij is gefloten, alsof ik een hond was die te ver was afgedwaald. Hoeveel keer er jongedame is gezegd, dat woord met zijn bedrieglijke glimlach, dat aan beide kanten snijdt: te oud om jong te zijn, te vrouw om ernstig genomen te worden. Hoeveel keer ik lelijk heb gehoord, te dik, zwijg en wees mooi — die laatste een hele filosofie samengevat in vier woorden.

Hoeveel keer een gesprek begon met koffie en eindigde in de stilte van iemand die de moed niet had te zeggen wat hij eigenlijk dacht. Het ghosten. Het blokkeren. De plotselinge leegte op de plek waar net nog een mens stond.

Hoeveel keer een man mij schreef in beleefde zinnen die langzaam, zin per zin, ontspoorden naar een register waarom ik nooit had gevraagd, waartegen ik nee had gezegd, en die nee werd behandeld als een spelregel die iemand had verzonnen om te omzeilen.

Hoeveel keer een man tegenover mij is komen zitten om mij te vertellen over de jongen die nog ergens in hem schuilt. Het gebroken kind. De afwezige vader. De verstikkende moeder. Ik luisterde. Ik luisterde lang. Ik luisterde tot ik niet meer wist of ik in een gesprek zat of in een spreekkamer waarvoor ik geen factuur kon sturen. En dan — precies op het moment waarop het kind in hem genoeg was getroost om weer een man te kunnen zijn — verdween hij.

Hoeveel keer ik ben bedrogen. Hoeveel keer mijn versie van iets niet werd geloofd, omdat zijn versie redelijker klonk, kalmer, mannelijker, en de mijne te emotioneel was, te uitgesproken, te veel.

—

Op een bepaald moment in een vrouwenleven — meestal halverwege, wanneer ze tijd heeft om te tellen — wordt iets zichtbaar dat eerder onmogelijk te zien was. Het is niet één man. Het is niet de ene narcist, de ene leugenaar, de ene die verdween. Het is de optelsom die ophoudt een verzameling toevalligheden te zijn en zich onthult als architectuur.

En dit is wat zelden hardop wordt gezegd: deze mannen hebben deze pijn niet enkel veroorzaakt. Ze hebben hem mee gebouwd. Steen voor steen. Het wijfje. Het gewoon een grapje. De koffie als val. De troost als wisselgeld voor toegang. De stilte na het krijgen. De diagnose te gevoelig, gesteld door iemand die zijn eigen gevoeligheid bij mij in bewaring had gegeven en haar nooit kwam ophalen.

—

Wanneer ik dit zeg — en ik zeg het zelden, want zeggen kost meer dan het oplevert — gebeurt iets wat bijna komisch zou zijn als het niet zo nauwkeurig was. De luisteraar haakt af. Iemand kijkt op zijn telefoon. Iemand zegt je bent te intens. Iemand verandert het onderwerp met de subtiliteit van een deur die wordt dichtgetrokken. Niemand gelooft dat dit zo diep gaat. Niemand wil geloven dat dit zo diep gaat, want geloven zou iets vragen — een herziening, een blik, een seconde stilte waarin het ongemak mag bestaan — en dat is precies wat de wereld een boze vrouw weigert te geven.

Het ongeloof zelf is de tweede vernedering. De eerste was wat er gebeurde. De tweede is dat het niet mag tellen.

—

Wat zij niet begrijpen, is dit: het zit niet meer in mijn hoofd.

Het zit in mijn schouders. In de spier onder mijn schouderblad die al jaren een vuist is geworden in een rugspier. Het zit in mijn maag op de momenten dat een vreemde te lang naar me kijkt op een terras. Het zit in de nauwkeurigheid waarmee mijn lichaam, ruim voordat mijn verstand iets opmerkt, weet of een man veilig is of niet — een vorm van kennis die geen taal heeft, alleen reactie.

Het zit in mijn slaap. In mijn ademhaling. In de manier waarop ik een drempel oversteek wanneer er een onbekende man in een lift staat. Onrecht laat zich niet opbergen in een dagboek; het kruipt onder de huid en zoekt daar onderdak.

—

Mensen spreken over verwerken alsof het een werkwoord is dat eindigt. Alsof er een dag komt waarop het verleden netjes is opgeruimd, gelabeld, weggezet in een doos die je in de schuur kunt vergeten. Dat is een fantasie van wie nooit heeft hoeven dragen.

Wat ik draag is een berg. Niet metaforisch — letterlijk een gewicht dat zich heeft verdeeld over mijn weefsel, mijn ademhaling, mijn manier van slapen. Ik kan deze berg niet meer torsen. Ik heb het geprobeerd, jaren, met humor, met therapie, met liefde, met schrijven, met hardlopen, met vergeven — een woord waarvan ik nu vermoed dat het door mannen is uitgevonden voor vrouwen die van kwaad naar woedend gingen.

—

Dit gaat niet meer weg.

Dat is wat ik wil dat je weet, als je tot hier hebt gelezen. Niet dat ik genezen ben. Niet dat ik er sterker uit ben gekomen. Niet die taal. Die taal is voor anderen — voor wie wil dat een verhaal eindigt op de manier waarop verhalen horen te eindigen, met inzicht en aanvaarding en een zacht licht bij het slot.

Dit gaat niet meer weg. Het is mijn weefsel geworden. Het rekent niet meer met genezing. Het rekent met aanwezigheid: dat ik leef, ondanks. Dat ik schrijf, ondanks. Dat ik mijn kinderen heb grootgebracht, mijn leerlingen lesgeef, ochtenden begin, ondanks.

En wanneer ik boos ben — en ik ben boos — dan is dat geen stemming die je kunt uitzitten tot zij overgaat. Het is geen fase. Het is geen gebrek aan dankbaarheid, geen gebrek aan rijpheid, geen gebrek aan vergeving.

Het is een correcte conclusie, getrokken uit voldoende bewijs.