Penseelstreek

By

De koffie is koud geworden. Ze weet niet wanneer dat gebeurd is — ergens tussen de eerste slok en het moment waarop haar blik bleef haken aan de muur. Aan de schaduw die daar beweegt alsof iemand met trage vingers over het behang strijkt, heen en weer, zonder haast, zonder bedoeling.

Het kopje staat scheef op de rand van de tafel. Ze corrigeert het niet.

Buiten schuift een wolk voor de zon en de kamer valt dicht als een boek dat iemand halverwege neerlegt. De schaduwen lossen op. De muur wordt vlak, wordt niets, wordt gewoon weer een muur. En dan — een kier. Een dunne naad van licht die zich een weg zoekt over de vloer, langzaam, alsof hij niet wil storen.

Ze volgt hem met haar ogen. Het streepje licht raakt de poot van haar stoel, kruipt omhoog over haar enkel, legt zich als een warm dier tegen haar scheenbeen.

Ze beweegt niet.

Er zit iets vast in haar borstkas. Het heeft geen naam. Het is niet verdriet, niet precies — verdriet heeft randen, heeft een begin en soms zelfs iets wat op een einde lijkt. Dit is anders. Dit is de stille die overblijft als je alle woorden hebt uitgesproken en merkt dat de kamer nog steeds leeg is. De echo die nergens tegenaan botst.

Haar handen liggen in haar schoot, de ene in de andere, alsof ze zichzelf vasthouden. Haar duim strijkt over haar eigen knokkel — heen en weer, heen en weer — in hetzelfde ritme als de schaduwen op de muur.

Ze kijkt naar buiten. Een andere wolk drijft voorbij met de traagheid van iemand die nergens verwacht wordt. Eronder een tweede, smaller, met rafelige randen die al aan het oplossen zijn terwijl ze kijkt. Stukjes hemel verschijnen ertussen, blauw als iets waar geen woord voor bestaat.

De wolk was er. En dan is hij er niet meer. Geen afscheid. Geen bewijs dat hij bestaan heeft, behalve het licht dat even anders valt, even scherper nu, even minder zacht.

Ze denkt: zo gaat het dus.

Ze denkt aan haar vader. Niet aan zijn gezicht — dat is allang vervaagd tot iets wat meer aanvoelt als een sfeer dan een beeld. Ze denkt aan zijn handen. Hoe die eruitzagen op de armleuning van zijn stoel, ’s avonds laat, als hij dacht dat niemand keek. Vingers die tikten op het ritme van iets wat alleen hij hoorde. Ze had het willen vragen. Ze heeft het niet gevraagd.

Ze denkt aan de man die ze liefhad op een manier die ze nog altijd niet kan uitleggen. Aan hoe het voelde om iets te verliezen wat ze nooit helemaal had gehad — hoe verlies soms niet het tegenovergestelde van hebben is, maar een vreemde, misvormde variant ervan. Een schaduw op een muur van iets wat niet in de kamer staat.

Ze denkt aan de versie van zichzelf die ze gisteren was. Vorige week. Tien jaar geleden. Al die vrouwen die haar naam droegen en die ze niet meer kan bereiken. Die verdwenen zijn als wolken.

Haar blik valt op een spin in de hoek van het raam. Bezig. Draad na draad, met de vasthoudendheid van iemand die het niet over logica heeft maar over noodzaak. De spin weet niet dat het web morgen weg kan zijn — een windvlaag, een hand, een onverschillige regen. De spin is on-wetend en spint.

Het licht is verschoven. Het streepje op haar scheenbeen is nu een vlek op de vloer, een stuk verderop, bijna bij de drempel. Nog even en het glipt de gang in, de deur uit, terug naar buiten. Ze kan het niet tegenhouden. Ze probeert het niet.

Er trekt iets door haar heen — geen gedachte, eerder een gewaarwording. Alsof iemand een doek voor haar uitrolt, zo groot dat ze de randen niet kan zien. En daarop: alles. Elke wolk die ooit voorbijdreef. Elke schaduw op elke muur. Elke hand die op elke armleuning tikte. Miljoenen penseelstreken, nat in nat, door elkaar heen, over elkaar heen, tot het geheel iets wordt wat van veraf misschien op schoonheid lijkt en van dichtbij op chaos.

Ze is een stip op dat doek. Een minuscuul puntje verf, aangebracht met een trillende hand. En het vreemde is: het maakt haar niet kleiner. Het maakt haar niet minder. Het plaatst haar.

De donkere gedachten zijn er ook. Ze kent ze bij stem, bij gewicht, bij de manier waarop ze binnenkomen — niet als bezoekers die aankloppen maar als bewoners die altijd al een sleutel hadden. Ze zitten in de stoel naast haar. Ze ademen mee.

Ze heeft geleerd om niet op te staan als ze komen. Om niet te vluchten naar de keuken, naar een scherm, naar de volgende taak. Ze heeft geleerd — en leren is hier het verkeerde woord, het was meer een langzaam bezwijken, een ophouden met verzet — om te blijven zitten. Om te zeggen: ah, jij weer.

Niet met liefde. Niet met vergiffenis. Maar met de nuchtere herkenning van iemand die weet dat het weer voorbijgaat. Dat álles voorbijgaat. Het licht. De schaduwen. De wolken. De pijn. De mensen. De versies van jezelf.

Ze pakt het kopje op. De koffie is koud maar ze drinkt toch — een slok, bitter en lauw, en ze trekt een gezicht dat niemand ziet. Ze zet het kopje terug, nu recht op de tafel.

Buiten schuift een nieuwe wolk voor de zon. De kamer valt weer dicht. De schaduwen verdwijnen.

Ze wacht.

Ze weet dat het licht terugkomt. Niet omdat ze gelooft. Maar omdat ze gekeken heeft. Omdat ze gisteren ook heeft gewacht, en de dag ervoor, en de dag ervoor, en elke keer verscheen er weer dat dunne streepje op de vloer.

Niet als beloning. Niet als antwoord.

Gewoon als licht.


Ze staat op. Ze spoelt het kopje om. Ze droogt haar handen aan haar broek en loopt naar het raam, waar de spin nog altijd bezig is.

Draad na draad na draad.

Posted In ,

Plaats een reactie